Wet op het onderwijstoezicht

Debat in de Tweede Kamer op 14 september 2011

  1. Jeroen Dijsselbloem (PvdA)

    Dit is niet onbelangrijk omdat er klachten uit het onderwijs zijn dat de indeling te grofmazig zou zijn. Een school met heel zwakke leerlingen met ouders met een opleidingsniveau dat maar net iets boven lbo is, kan in een vergelijkingsgroep terechtkomen met scholen uit Aerdenhout waar alle ouders hoogopgeleid zijn. Dat verhaal gaat in de sector. De minister zegt dat het anders is. Ik houd in dit kader maar even het getal tien aan; de feiten zijn hier echt heel belangrijk. De minister zegt dat er tien groepen zijn en dat een school dus in een vrij precieze vergelijkingsgroep terechtkomt die geen heel grote marge heeft. Als dat het geval is, kan ik het verhaal beter uitleggen aan de schoolhoofden die mij vertellen dat hun onrecht wordt aangedaan. Daarom is dit belangrijk.

    Er zijn ook mensen die een andere redenering hebben. Zij zeggen dat de scholen met veel gewichtenleerlingen extra geld krijgen. Dat extra geld krijgen zij, omdat wij willen dat zij met evenveel ambitie alles uit de kinderen op hun school halen. Waarom krijgen zij dan ook nog een lagere norm? Doen wij daarmee die kinderen geen onrecht? Moeten wij niet gewoon één norm hebben? Sommige scholen zullen meer moeite hebben om aan die norm te voldoen, maar daarvoor krijgen zij extra geld. Stellen wij het verwachtingspatroon ten aanzien van deze kinderen niet veel te laag in door het verlagen van de norm voor sommige scholen? Daarmee is de ambitie op een schooltje als Bijlmer 3 -- ik noem maar een voorbeeld -- eigenlijk veel te laag. Daardoor laten wij kansen liggen.

    14 september 2011 omstreeks 16:40 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  2. Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA)

    Dat kan een redenering zijn. Wij hebben daar tot op heden niet voor gekozen. In de bekostiging kiezen wij er ook niet voor, maar de heer Dijsselbloem heeft gelijk, want men krijgt meer geld. Wij zien overigens dat kinderen die zo zwaar bekostigd worden, vaak ook forsere problemen hebben. Je probeert daar in die zin enigszins recht aan te doen. Vervolgens probeer je het zo te doen dat je differentieert in verschillende groepen, zoals ik zojuist heb aangegeven. Dat doet recht aan de school die echt veel harder moet trekken om een kind boven water te houden. Wij ondersteunen die school met wat extra geld. Deze heel robuuste vergelijkingsopbouw is naar mijn idee zeker wel te rechtvaardigen. Het is dus een uitwerking van de inspectie die overigens niet in dit wetsvoorstel verwerkt zit. Die discussie komt er eigenlijk bij, maar het is een mooi moment om het met elkaar daarover te hebben. Als je kijkt naar de scholen die je in beeld hebt met name in de moeilijke wijken in de Randstad, is het reëel om zowel iets meer ondersteuning te geven als binnen deze groepen de prestaties heel goed te bekijken en ze als het ware daar tegenaan te leggen. Dit wil overigens niet zeggen dat wij vervolgens scholen oppakken die daaronder zitten.

    14 september 2011 omstreeks 16:43 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  3. Jeroen Dijsselbloem (PvdA)

    Tegen schoolleiders die tegen mij zeggen dat zij onrechtvaardig behandeld worden, moet ik voor mijzelf kunnen verantwoorden dat ik zeg: nee vriend, dat valt wel mee, aan jouw school wordt recht gedaan. Ik wil daarom precies weten hoe de systematiek in elkaar zit. Ik vraag de minister om schriftelijk precies te schetsen hoe de vergelijkingsgroepen zijn opgebouwd. Kan zij beschrijven hoeveel groepen er zijn op basis van welke regeling et cetera?

    14 september 2011 omstreeks 16:45 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  4. Jeroen Dijsselbloem (PvdA)

    Ik ben er niet aan toe om conclusies te trekken, maar mijn hoofdvraag blijft over. Ik vraag mij namelijk steeds meer af of wij er goed aan doen om zowel meer geld te geven aan scholen vanwege de problematiek van hun leerlingen als het ambitieniveau voor hen te verlagen. Ik geloof dat dit niet goed is voor leerlingen. Wij zullen dit vandaag niet beslechten, maar ik vind dit een reële discussie. Met mij valt te praten over het in een aantal opzichten misschien nog beter ondersteunen van die scholen. De norm, de ambitie ten aanzien van kinderen, zou eigenlijk voor alle scholen gemiddeld genomen hetzelfde moeten zijn.

    14 september 2011 omstreeks 16:45 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  5. Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA)

    Het is misschien wel goed om ons te realiseren dat wij die norm niet op een bepaald niveau zetten, ook niet bij de groepen scholen met veel leerlingengewichten. Het is de norm die deze scholen met elkaar gemiddeld tot stand brengen in die onderverdeling op het continuüm. Men kan zich al optrekken aan het hoger gelegen niveau. De inspectie controleert dus scherp of een school niet onder dat gemiddelde gaat. Het is dus geen afgezwakte norm, maar een norm die past bij de groep scholen.

    14 september 2011 omstreeks 16:47 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  6. Jeroen Dijsselbloem (PvdA)

    Voorzitter, dit is mijn laatste interruptie. Hierna ben ik echt weg, dat beloof ik u.

    Dit lijkt er toch een beetje op dat wie voor een dubbeltje is geboren, een dubbeltje blijft. Een kind blijft maar opgesloten in de vergelijkingsgroep die gebaseerd is op het opleidingsniveau van de ouders

    14 september 2011 omstreeks 16:47 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  7. Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA)

    De heer Dijsselbloem en ik zitten heel snel op een lijn. Wij vinden namelijk beiden dat de lat hoog moet worden gelegd en dat we verwachtingsvol moeten zijn naar kinderen. Ik begrijp de discussie dus heel goed. Laat echter helder zijn dat het hierbij niet gaat om het individuele kind maar om het schoolniveau op dat moment. Maar goed, het schoolniveau is wel van invloed op het individuele kind. Gezien de complexiteit moeten we dat op een goede manier op schrift zetten en de argumentatie achter de keuze van de inspectie om het op deze manier in te delen, namelijk de keuze voor de groepen, goed neerzetten. Dan komt er altijd weer een moment om daar met elkaar over door te praten. Dit was ook een moment, maar het hoefde niet per se hier afgehandeld te worden. Dat lijkt mij een uitstekend idee.

    Dan kom ik bij de moties van mevrouw Smits en de heer Dijkgraaf. In de motie van mevrouw Smits wordt verzocht om dit aan te passen en er meer onderdelen bij te betrekken. Ik zou dit niet doen; ik zou het niet ingewikkelder willen maken dan het al is. Momenteel maken we gebruik van gegevens die er al zijn. Dat scheelt, want anders moet ik langs scholen om behalve naar de gegevens voor de gewichtenregeling ook naar de gegevens voor de inspectie te vragen. Alle gegevens moeten ook gecheckt worden: kloppen die gegevens? Ideaal regelen kunnen we het uiteindelijk niet. We proberen het natuurlijk zodanig te regelen dat het zo veel mogelijk recht doet aan scholen. Daar heb ik echter net al het nodige over gezegd. Vanuit die optiek ontraad ik deze motie.

    14 september 2011 omstreeks 16:48 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  8. Manja Smits (SP)

    Het is een ingewikkelde discussie. Wij voeren een discussie over de gewichtenregeling en over het onderwijstoezicht. Vandaag verscheen een rapport waaruit blijkt dat sinds de herziening, en dus sinds deze meting, voor de inspectie een grote groep kinderen niet meer binnen die gewichten valt die er eerder wel binnen viel. Ik weet niet of het vergelijken van scholen een ideaal systeem is. Daarom heb ik deze motie ingediend. Ik worstel met dezelfde vraag als de vraag die de heer Dijsselbloem zojuist aan de minister voorlegde. Toch hebben wij nu dat systeem. Omdat echter de groep gewichtloze kinderen vrij groot is, die reikt van een ouder met een havodiploma tot beide ouders universitair geschoold, wordt de zwaarte van het extra meetinstrument van de inspectie een beetje minder. Het overgrote deel van de kinderen heeft geen gewicht meer. Dan kan de minister zeggen dat we het gemiddelde van de gewichten meten en die onderdeeltjes vergelijken. Is het echter niet zo dat steeds minder kinderen een gewicht hebben? Gaan we daarmee uiteindelijk niet toe naar het systeem dat de heer Dijsselbloem net noemde? Zodra steeds meer kinderen ouders hebben die wel een diploma van de middelbare school hebben, maken we uiteindelijk geen onderscheid meer. Het spijt me voor de lengte van de interruptie, voorzitter; ik ga de minister nu een vraag stellen. Willen wij dit systeem behouden voor de toekomst en denkt zij dat het toekomstbestendig is?

    14 september 2011 omstreeks 16:51 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  9. Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA)

    In ieder geval vind ik het op dit moment een systeem dat goed toegepast kan worden, zowel voor de gewichtenregeling als voor de inspectie. Het voordeel ervan is dat het maar één keer tot een administratief gebeuren rondom de school leidt en dat we verder via DUO alles lekker in beeld hebben en de school er niet mee lastig hoeven te vallen. Het is waar wat mevrouw Smits zegt. Gaat het opleidingsniveau verder omhoog -- daarin zien we mooie ontwikkelingen in Nederland -- dan schuift de groep in het continuüm steeds verder op naar de kant waar het op de nul zit. Die groep wordt natuurlijk ook steeds groter en dan zal er steeds meer een gemiddelde norm in beeld komen. Dat klopt, en dat is dan eigenlijk ook heel goed. Dat maakt namelijk dat je op een gegeven moment vanuit een gelijke uitgangspositie -- voor zover je daarover kunt spreken -- die school binnenkomt en in staat bent om je eigen mogelijkheden en kunnen te laten zien.

    14 september 2011 omstreeks 16:53 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  10. Manja Smits (SP)

    Het is natuurlijk niet helemaal waar dat het meer werk zou zijn voor scholen. Die scholen vragen naar de plannen van de ouders, die voeren die in in het bestand, dan is het bij DUO en dan kan de inspectie er net zo veel kaartjes aan hangen als zij wil. Die informatie is dan beschikbaar. De minister houdt nu toch vast aan de waarde van dat vergelijken van de verschillende groepen, het vergelijken op niveau. Wij hebben die heel grote grofmazige groep zonder gewicht en daar komen steeds meer kinderen in. Scholen worstelen daarmee. Die zeggen: dat is een probleem. Ziet de minister dat? Of zegt zij: het is nu klaar, wij hebben het er niet meer over, een mavo-diploma is net zo veel stimulans thuis als twee universitaire diploma's?

    14 september 2011 omstreeks 16:55 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  11. Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA)

    Dat is eigenlijk het hele principe van het verhaal. Eigenlijk willen wij zo veel mogelijk scholen die ene norm meegeven; dat is het punt van de heer Dijsselbloem. Maar wij komen scholen tegemoet die veel gewichtenleerlingen hebben. Ik vind het het beste voor het kind dat het in die groep zit waar de ambities zodanig zijn dat je al snel in beeld bent als die school een te lage opbrengst heeft. Het gaat erom dat die school samen met de inspectie via geïntensiveerd toezicht de boel op orde krijgt zodat het kind zo snel mogelijk het allerbeste onderwijs krijgt, dat het ook verdient. Dat is het voordeel, als het kind in de groep zit waar de gewichtenregeling minder dominant aanwezig is. Het is echt een tegemoetkoming aan de scholen met veel gewichtenleerlingen, maar ik gun het eigenlijk elk kind om gewoon in de groep te zitten waar er minder zijn, omdat je dan ook de school optrekt. In de praktijk zien wij dat dit daadwerkelijk gebeurt. Hoewel zij misschien met een wat lagere achtergrond zitten dan bijvoorbeeld in Bloemendaal, zijn die scholen in staat om weer dat gemiddelde te halen en weer op orde te komen. Dan heb je een goede daad verricht en heb je het naar het kind zo goed mogelijk gedaan.

    Ik kom bij de wetenschappelijke onderbouwing. Er is veel over gesproken, ook in het vorige overleg. Het lijkt mij goed om er het mijne aan toe te voegen en er eventueel een debat over te hebben. Verschillende leden waren kritisch over de wetenschappelijke onderbouwing en er werd verwezen naar de petitie "Red het basisonderwijs!" Wij hebben met elkaar de keuze gemaakt om op opbrengsten te sturen. Dat hebben wij gedaan in de Wet goed onderwijs, goed bestuur. Voor het basisonderwijs gaat het om de scores op taal en rekenen. Voor het voortgezet gaat het om zaken zoals voortijdig schoolverlaten en het verschil tussen het centraal examen en het schoolexamen. Dat is ook logisch. Professor De Groot, die in de afgelopen periode betrokken is geweest bij het onderwijs, geeft aan: kwaliteit van onderwijs moet blijken. Hij vervolgt: bij het onderwijs gaat het uiteindelijk niet om de vraag hoe mooi wij het geven, maar om wat het uithaalt, wat leerlingen ervan meenemen. Uiteindelijk willen wij dat zien. Via de Wet goed onderwijs, goed bestuur hebben wij een aantal zaken vastgelegd waarvan wij zeggen: wij willen dat leerlingen dat meenemen en daar zijn wij ook kritisch op. Daar houdt de inspectie toezicht op. Dat is geheel conform datgene wat wij hier hebben afgesproken.

    De manier waarop de inspectie hierop toezicht houdt, is wetenschappelijk goed onderbouwd. Als er iets mis is, kijkt de inspectie dieper. De aspecten waarnaar de inspectie kijkt, zijn gebaseerd op actueel internationaal onderzoek naar schooleffectiviteit. Professor Scheerens -- hij is hier vaak genoemd -- heeft er een metaonderzoek naar gedaan. Hij heeft niet zelf zaken op een rij gezet, maar hij heeft onderzoeken bij elkaar gehaald en uiteindelijk heeft dat in 2005-2006 geleid tot een metaonderzoek. Hij heeft toen alle beschikbare onderzoeken op een rij gezet op het punt van kwaliteitsaspecten en indicatoren van schooleffectiviteit. Het gaat dus niet om één onderzoek, maar om een overzicht van de staat van het wetenschappelijk terrein van schooleffectiviteit. Daaronder vallen ook onderzoeken van wetenschappers als Michael Fullan -- wij hebben er hier regelmatig over gesproken in het kader van opbrengstgericht werken -- Levine en Gullickson. Zulke wetenschappers zijn meegenomen in dat grote metaonderzoek.

    Uit het onderzoek blijkt dat de kwaliteitsaspecten en indicatoren die de inspectie hanteert, voorspellend zijn voor hoge leerresultaten. De keuze wordt internationaal door heel veel verschillende onderzoekers ondersteund. Dat heeft Scheerens inzichtelijk gemaakt. Het gaat niet om het eigen verhaal, maar om het bijeenbrengen van veel wetenschappelijk onderzoek. De methode van de inspectie blijkt effectief en kent een hoge internationale waardering. Er wordt naar onze inspectie gekeken als voorbeeld. Het is mijn indruk dat dit goed op orde is.

    De petitie "Red het basisonderwijs!" bevat twaalf stellingen, die breder zijn dan alleen het toezicht. Het gaat met name over het jonge kind. Er zijn veel pedagogen bij betrokken. Dat is dus wat anders dan de effectiviteit van het toezicht. Er worden beelden geschetst van toetsen van taal en rekenen. Die discussies moeten worden gevoerd. Wij gaan niet zomaar starttoetsen invoeren. Ik ga heel zorgvuldig met pilots aan de slag. Wij moeten buitengewoon omzichtig zijn, want je kunt veel kapot maken in je wens om het zo goed mogelijk te doen. Als je het sec hebt over de aanpak van de inspectie, begint het met de opbrengsten. Wij hebben die hier vastgesteld en de inspectie ziet erop toe. Over de wijze waarop wij met de indicatoren aan de slag gaan, zijn allerlei wetenschappers bij elkaar gebracht in het onderzoek van Scheerens. De aanpak wordt daarin onderschreven en onderbouwd. Vandaar de internationale positie en statuur van onze inspectie.

    Ik kom bij de verdringing door de focus op taal en rekenen. Het oordeel over de motie van de heer Klaver laat ik aan de Kamer. Ik ken de discussies en zorgen. Ook ik vind het belangrijk om steeds goed in de gaten te houden of sprake is van een evenwichtige tijdsinvestering op scholen. Wordt er voldoende aandacht aan het hele arsenaal gegeven? Ik wil het in de komende tijd gaan doen. Het moet ingepast worden. De inspectie heeft haar plan al ontvangen. Ik zal het meenemen in het Onderwijsverslag 2013. Dat betekent dat wij er in 2012 wat scherper naar kijken. Taal en rekenen vormen de zuurstof van het onderwijs. Wij hebben het hier zelf aangekaart, omdat het indertijd een urgent probleem was. Wat wij gedaan hebben, is iets waarvan ik vind dat wij het veel vaker moeten doen. Wij hebben het geconstateerd, wij hebben er een club goede mensen vanuit het veld op gezet. Zij hebben referentieniveaus taal en rekenen aangegeven, die wij vervolgens wettelijk hebben ingevoerd. Dat vind ik consequent gedrag. Het is gestart vanuit de wens van het parlement. Wij voeren het in de praktijk uit.

    Twee weken geleden ben ik op een school in Vierpolder geweest. Die school is met onze vliegende brigades vanuit een zeer zwakke positie in anderhalf jaar tijd naar minstens het basisarrangement gegaan. Er wordt opbrengstgericht gewerkt. Het team is er heel blij mee. Men zit beter in zijn vel. Ik heb gevraagd hoe het met de taal en het rekenen zit. Zorgen waarover ik in de kranten lees, bespreek ik graag op de scholen. Hoe pakken jullie dat op? Dan hoor ik het volgende: wij beginnen nu gewoon op het tijdstip dat er echt begonnen moet worden. Dus er wordt niet eerst tien minuten gezellig gepraat in de klas, waarna vervolgens de boekjes er nog bij moeten worden gepakt. Zo was men elke ochtend een kwartier kwijt. Tel uit je winst, of eigenlijk in dit geval je verlies. Men begint gelijk. In de ochtend wordt er veel taal en rekenen gegeven. De opbrengsten zijn nu al beter. In de middag is er rust, is er tijd voor wereldoriëntatie, voor projecten, voor tekenen, noem maar op. Er is ruimte zat. Als er les is, is men intensief aan het werk. Als er les is, is er les. Dit is dus een voorbeeld van een zeer zwakke school die de slag maakt en tegelijk met allerlei andere mooie dingen bezig is, ook met vorming. Het is goed om dit te noemen, ook met het oog op de zorg vanwaaruit de heer Klaver zijn vraag formuleerde. Ik vind het goed om dit in de gaten te houden. Om die reden neem ik het mee. Ik laat het oordeel over de motie aan de Kamer, met positieve gedachten eromheen.

    14 september 2011 omstreeks 16:56 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  12. Jeroen Dijsselbloem (PvdA)

    Een van de andere aspecten in dat amendement is, naast een goed personeelsbeleid, de aanwezigheid van bevoegdheid en bekwaamheid. Als het amendement wordt aangenomen, wordt ook dat een element waar echt formeel op kan worden toegezien en waaraan een bekostigingssanctie verbonden kan worden. Ik zeg dit ook, omdat ik voornemens ben om de ruimte die er nu in de sectorwetten zit om onbevoegden voor de klas te zetten, kleiner te maken. Dat is nu bijna onbeperkt mogelijk, met herhaling en verlenging, verlenging en verlenging. De staatssecretaris was het daar overigens mee eens, zeg ik maar geruststellend tegen de minister. Dat moet strenger worden. Het aantal onbevoegden voor de klas en de termijn waarbinnen men onbevoegd voor de klas kan blijven, zijn nu echt te ruim. Dat moeten we strenger maken, en vervolgens verbinden we het ook nog aan de mogelijkheid van een sanctie.

    14 september 2011 omstreeks 17:09 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  13. Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA)

    Ja.

    Ik kom bij het punt van de bestuurlijke aanwijzing. De heer Van der Ham vroeg naar de uitwerking van de aangenomen motie over de bestuurlijke aanwijzing van de school. Ik heb die motie indertijd ontraden, omdat ik haar onwenselijk vind. De bestuurlijke aanwijzing is bedoeld voor financieel wanbeheer, voor intimidatie door bestuur, maar de kwaliteit van het onderwijs is gewoon echt een verantwoordelijkheid van de school. We kunnen de scholen daarbij behulpzaam zijn door geïntensiveerd toezicht en het geven van aanbevelingen vanuit het tweedelijnstoezicht -- ik doel op de effectiviteit rondom de didactische aanpak et cetera -- maar het is wel aan de scholen zelf om daarmee aan de slag te gaan. Krijgt men dat niet op orde, dan kan er een bekostigingssanctie plaatsvinden. "In the end" kan de bekostiging ook worden ingetrokken, waarmee doorgaans de school moet worden gesloten. Dat is denk ik de goede aanpak. Omdat we toe willen naar een kortere periode van "zeer zwak", interveniëren we eerder, in de zin dat we het bestuur informeren over de zorg dat een school mogelijk zwak of zeer zwak wordt. Dat maakt dat een school de zaak al eerder oppakt. Het is toch echt het schoolbestuur zelf dat dat behoort te doen. Ik zit er nog steeds hetzelfde in als in het verleden. Niks nieuws.

    14 september 2011 omstreeks 17:11 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  14. Manja Smits (SP)

    Mijn naam stond ook onder die motie. Het gebeurt zelden dat de heer Van der Ham en ik gezamenlijk een motie aangenomen krijgen in deze Kamer, en daarom vind ik het toch wel een bijzonder moment. Maar het gaat ook om een uitspraak van een meerderheid van deze Kamer. De minister zet nu al, sinds de motie vorig jaar is ingediend en aangenomen, de hakken in het zand en weigert te bewegen. Ik vind het toch belangrijk om aan haar te vragen, waarom ze dan zo makkelijk een uitspraak van een meerderheid van de Kamer naast zich neerlegt. Dat mag geen gewoonte worden.

    14 september 2011 omstreeks 17:13 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  15. Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA)

    Ik zou er inderdaad geen gewoonte van willen maken. Maar soms neem ik mijn eigen verantwoordelijkheid waar het gaat om wat ik als de hiervoor verantwoordelijke minister verantwoord acht. In dit geval heb ik inderdaad een andere afweging gemaakt, om redenen die ik zojuist heb genoemd.

    14 september 2011 omstreeks 17:14 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  16. Manja Smits (SP)

    Misschien is het dan niet het goede moment en kunnen wij het beter bij de begrotingsbehandeling weer opnieuw proberen. De minister doet het echter vaker. Er is onlangs een motie die ik samen met de heer Çelik heb ingediend, aangenomen en die weigert de minister ook uit te voeren. Ik wil toch een keer gezegd hebben dat wij goed nadenken over de voorstellen die wij doen en dat wij daar ook vrij verstandige dingen in zeggen. Als dan een meerderheid van de Kamer zo'n voorstel steunt, vind ik het jammer dat de minister het signaal lijkt af te geven dat zij regelmatig dat soort Kameruitspraken naast zich neerlegt. Dat betreur ik.

    14 september 2011 omstreeks 17:15 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

  17. Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA)

    Het is goed om ook de zegeningen te tellen.

    Voorzitter. Ik kom bij het punt van de accreditatie. Mevrouw Smits vroeg of zij de stukken van de accreditatie kan inzien. De Raad voor Accreditatie werkt niet met formele stukken, maar publiceert wel het accreditatiebesluit. Daar is onze inspectie prima uitgekomen. Die informatie is gewoon openbaar. Voor de rest moet het eigenlijk worden vergeleken met een managementletter, zoals ook een accountant wel eens iets meegeeft. Die is niet bedoeld voor publicatie, want daar staat ook veel namen en dergelijke in. Dat is echt alleen voor de interne organisatie, voor de inspectie. Voor u is het belangrijkste dat de Raad voor Accreditatie gezegd heeft dat de Inspectie van het Onderwijs in Nederland prima door de beugel kan.

    14 september 2011 omstreeks 17:16 via Wet op het onderwijstoezicht - Link - Delen

Over dit debat

Bericht van de makers

“Ehm... waar zat dat knopje om een bonnetje uit te printen nou ook al weer?”

Wolq helpt om software en het web gebruiks-vriendelijker te maken, zodat uw klanten nooit meer hoeven te zoeken naar een bepaalde funtie. Ook bedenken wij innovatieve oplossingen, zoals Publitiek, voor complexe vraagstukken.

Benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen?

Publitiek App

Het Binnenhof in je binnenzak. Volg de politiek waar je ook bent met de Publitiek App.
Verkrijgbaar in de App StoreVerkrijgbaar bij Google Play

Bericht van de makers

“Onze medewerkers moeten eerst op training voordat ze ons intranet begrijpen. Dat moet toch beter kunnen!”

Wolq helpt om software en het web gebruiks-vriendelijker te maken. Zo bespaart u veel geld op trainingen. Ook bedenken wij innovatieve oplossingen, zoals Publitiek, voor complexe vraagstukken.

Benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen?