Telecommunicatiewet

Debat in de Tweede Kamer op 15 juni 2011

  1. De algemene beraadslaging wordt geopend.

    15 juni 2011 omstreeks 10:15 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  2. Sharon Gesthuizen (SP)

    Voorzitter. Volgens mij is het de bedoeling dat ik in deze termijn over beide wetsvoorstellen spreek, maar ik begin met de wijziging van de Telecommunicatiewet.

    De bewaarplicht telecommunicatie heeft al een lange historie, ook in de Kamer. Het is van belang in herinnering te roepen dat de Tweede Kamer de Richtlijn dataretentie eigenlijk nooit heeft gewild. De regering stemde echter toch in met de richtlijn die alle lidstaten verplicht om telefoon- en internetgegevens tussen minimaal zes en maximaal vierentwintig maanden op te slaan. Daartussen mag een lidstaat dus kiezen. Aanvankelijk koos de Nederlandse regering voor een periode van achttien maanden, maar de Kamer bracht die al terug tot twaalf maanden.

    De SP heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat een minimale bewaartermijn meer dan voldoende is. Daarvoor kiezen wij, maar ondanks het uitgebreide debat in 2008 is ons dat toen niet gelukt. Wij hadden wel succes met de motie-De Wit; ik kom daar nog op terug. Het lukte de Eerste Kamer wel om af te dwingen dat de bewaarplicht voor internetverkeer wordt teruggebracht. De termijn wordt nu gehalveerd van twaalf maanden naar het minimum van zes maanden.

    Mijn fractie kan dit alleen maar toejuichen. Wij zijn immers een aantal jaren verder na de invoering van de bewaarplicht, een maatregel die door sommigen de meest privacyschendende maatregel ooit wordt genoemd. Nog steeds zijn nut en noodzaak onvoldoende aangetoond. Hoeveel boeven hebben wij nu eigenlijk gevangen dankzij het bewaren van telecommunicatiegegevens? Ook belangrijk: hoeveel criminelen zijn opgepakt met behulp van telecommunicatiegegevens die ouder zijn dan zes maanden, want daar zit natuurlijk het significante verschil? Welke boeven pak je niet als je gegevens maar zes maanden mag bewaren? Welke pak je dan wel als je de gegevens één jaar lang mag opslaan, of eigenlijk, als je bedrijven verplicht om dat te doen? Dit laatste is ook geen onbelangrijk punt omdat de regering zegt dat zij alle lasten voor het bedrijfsleven zo veel mogelijk wil beperken.

    De effectiviteit is altijd een probleem geweest. Je hoefde maar gebruik te maken van hotmail of skype, inmiddels zo ingeburgerd dat haast iedereen dat kent en/of gebruikt, en je gegevens konden al niet meer worden bewaard. Ik bedoel maar, je hoeft geen technisch genie of hoogbegaafde crimineel te zijn om een bewaarplicht te omzeilen. Met het creëren van hooibergen vang je geen boeven, is altijd de stelling van mijn fractie. Het is niet erg zinnig en bijzonder kostbaar om van miljoenen mensen te bewaren met wie zij bellen of e-mailen, wanneer, hoe laat en van welke locatie. Last but not least, met het bewaren van al die gegevens leg je enorm grootschalige databestanden aan die bovendien buitengewoon privacygevoelig zijn. Ik verwijs als voorbeeld naar de Duitse politicus Spitz die alle gegevens opvroeg die T-Mobile over hem had opgeslagen, en op internet zette. Zijn volledig leven was in beeld. De tijd van: ik heb niets te verbergen, is toch echt wel voorbij.

    Gericht zorgvuldig zoekwerk door politie en justitie levert veel meer op dan je met datamining in grote bestanden voor elkaar zult krijgen, met daarbij het risico van onterechte verdenkingen op de koop toe, het zijn immers maar data. Nu is de Europese Commissie recent gekomen met de evaluatie van dataretentierichtlijn. Ook de Commissie krijgt niet aantoonbaar duidelijk in welke mate criminaliteit wordt bestreden door het bewaren van telecommunicatiegegevens. Ik wil dit hier toch onder de aandacht brengen, want dit is uiterst belangrijk. Het gaat dus over het bewaren van grote hoeveelheden data. Die maatregel wordt verkocht met het verhaal dat wij daarmee criminelen kunnen pakken. Daar is wat voor te zeggen, maar dan moet je de effectiviteit van die maatregel vervolgens wel heel kritisch beoordelen.

    Beveiligingsproblemen zijn er daarentegen wel. De Commissie concludeert dat wij moeten doorgaan met de opslag, maar zij onderbouwt dat naar mijn mening onvoldoende. In meer Europese landen zwelt de kritiek aan. In Duitsland en Tsjechië heeft de rechter al geoordeeld dat de bewaarplicht ongrondwettig is. Ook in Roemenië, Oostenrijk en Zweden is men uiterst kritisch. De vraag is nu wat Nederland doet. Hoe gaat de staatssecretaris om met de evaluatie van de Europese Commissie? Wat is zijn oordeel hierover? Wanneer gaat hij in Europa het gesprek aan over de Richtlijn dataretentie?

    Ik verwacht dat het kabinet vandaag weer met een voorbeeld zal komen waarin historische gegevens in positieve zin hebben bijgedragen aan het oplossen van een strafzaak, of twee, of wellicht zelfs drie. Ik luister dan uiteraard met belangstelling, maar het is niet voldoende. De staatssecretaris heeft nu jaren de tijd gehad om fundamenteel onderzoek te doen en de meerwaarde van het langdurig bewaren van gegevens van miljoenen burgers aan te tonen. Ik heb dit nog steeds niet gezien en vind dat een zwaktebod. Mijn stelling is: justitie kan het nut van de bewaarplicht niet aantonen en dus schenden we eigenlijk keer op keer, elke dag weer, de privacy van heel veel Nederlanders. Het is natuurlijk niet aan mij om aan te tonen dat de bewaarplicht nooit ofte nimmer nut kan hebben, dat is onmogelijk. Ik vraag het kabinet daarom om dat hier duidelijk te doen. Ik heb hiertoe een amendement ingediend en neem aan dat de meeste leden dat inmiddels hebben ontvangen. In verband met de ondertekening is dat amendement inmiddels gewijzigd. Ik sluit ook niet uit dat het vandaag nog een keer wordt gewijzigd, dat amendement-Gesthuizen/Berndsen/Braakhuis/Kuiken om de bewaarplicht te verkorten van twaalf naar zes maanden.

    Zoals ik al zei, nut en noodzaak van het langdurig opslaan van telecommunicatiegegevens zijn onvoldoende aangetoond. Daarmee kom ik bij mijn tweede amendement, over de vergoeding van de kosten aan kleinere internet service providers, de ISP's. Volgens de SP moet dat rechtvaardiger. Dit debat over het wetsvoorstel hebben wij ook gevraagd omdat mijn fractie niet tevreden is met de antwoorden van het kabinet over het ontbreken van een rechtvaardige vergoeding voor kleine internetondernemers. Waarom jaagt het kabinet kleine internetondernemers op onevenredig hoge kosten? De Kamer heeft met de motie-De Wit gevraagd om een rechtvaardigere vergoeding van de kosten die worden gemaakt met opslag en levering van gegevens door kleine ISP's. Het huidige voorstel is niet rechtvaardig: het kabinet wil slechts de operationele kosten vergoeden, en dan alleen voor zover er directe kosten worden gemaakt om gegevens te leveren als de overheid die opvraagt. Kleine ISP's zullen in de praktijk echter vrijwel nooit worden bevraagd. Toch moeten zij investeringen doen die gepaard gaan met de aanschaf en het ontwerpen van hardware en software om de gegevens op te slaan, te beheren, up-to-date te houden en te beveiligen. Het kabinet gaat in zijn reactie daaraan geheel voorbij en zoomt in op de hardware, maar de grote kostenpost is natuurlijk de software. Ieder bedrijf zal software moeten aanschaffen. Sterker nog, het zou onwenselijk zijn als ISP's zouden bezuinigen op, bijvoorbeeld, de beveiliging van de gegevens. De investeringskosten zijn grotendeels schaalonafhankelijk: groot of klein, je zult grotendeels dezelfde investeringskosten moeten maken. Dat betekent dat kleinere ISP's in vergelijking met hun bedrijfsomvang hoge kosten maken. Wij willen de wet dan ook amenderen met ons tweede amendement. Men doet dit inmiddels ook zo in Engeland, Finland en Tsjechië. Daarom willen we nu direct alles netjes regelen.

    15 juni 2011 omstreeks 10:15 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  3. Ard van der Steur (VVD)

    Voorzitter, een vraag ter verduidelijking. Er is een brief binnengekomen van de BCPA. Deze zegt dat dit onderscheid tussen kleine en grote ISP's niet zo realistisch is, omdat er heel grote ISP's zijn die voornamelijk zakelijk verkeer faciliteren en die om dezelfde reden aanspraak zouden willen maken op een andere vergoeding. Is dat inbegrepen in het amendement van mevrouw Gesthuizen, of gaat het alleen maar over kleine ISP's en niet om de grote, zakelijke ISP's die ook weinig worden bevraagd?

    15 juni 2011 omstreeks 10:27 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  4. Sharon Gesthuizen (SP)

    Nee, het gaat in eerste instantie om de kleinere ISP's. Ik heb die brief nog niet gezien, maar ik begrijp van de heer Van der Steur dat hij hem inmiddels wel heeft gelezen. Wellicht ligt hij nog ongelezen in mijn mailbox, maar ik zal ernaar kijken.

    15 juni 2011 omstreeks 10:27 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  5. Ard van der Steur (VVD)

    Ik merkte dit op, omdat het natuurlijk heel goed is om hier in de Kamer op de bres te springen voor kleinere ISP's, maar daarbij moet niet worden vergeten -- en dat is misschien iets wat bij de SP nog wel eens voorkomt -- dat om dezelfde redenen zakelijke aanbieders eventueel zouden moeten kunnen profiteren van dat amendement. Ik ga er even van uit dat dit ook een praktisch amendement is.

    15 juni 2011 omstreeks 10:28 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  6. Sharon Gesthuizen (SP)

    Zeker, maar wij hebben in ieder geval de moeite genomen om wel een amendement in te dienen dat de kleine ondernemers beschermt; iets wat de VVD waarschijnlijk nog niet had kunnen dromen, ondanks het feit dat zij beweert om altijd op te komen voor alle ondernemers in Nederland. Ik zou zeggen: kijk goed naar wat het kabinet allemaal van plan is, dan weten de mensen wel beter.

    Ik wil mijn bijdrage aan het debat over de Wet Telecommunicatie afronden en kom zo bij het tweede deel van dit debat, over de wijzigingen in de Wet bescherming persoonsgegevens in verband met de vermindering van administratieve lasten en nalevingskosten et cetera. De SP is altijd voorstander geweest van het schrappen van onnodige regels, om administratieve lasten te verminderen en kosten te verlagen, waar dat kan en op verantwoorde wijze. Het doel om administratieve lasten te verlagen heiligt nooit de middelen en lastenreductie is in ieder geval geen vrijbrief om onbesuisd regels te schrappen. Dat is hier ook niet gebeurd. De Wet bescherming persoonsgegevens is herzien. Op een aantal punten moet deze worden gewijzigd, waarmee de nalevingskosten kunnen worden verlaagd.

    Dat is in goed overleg gebeurd met onder meer het College bescherming persoonsgegevens. Voor ons ligt nu een goed wetsvoorstel, waarover volgens mij op hoofdlijnen weinig controverse bestaat.

    Allereerst een opmerking over direct mail. Direct marketing is een bron van ergernis voor veel mensen. Iedereen kent wel post gericht "aan de bewoners van". Een sticker op de brievenbus dat men hier niet van gediend is, helpt dan niet. Het is niet eenvoudig om van de toezending van dit soort ongewenste quasigeadresseerde post verlost te worden. Iedere keer dat een burger wordt benaderd met een direct-marketingboodschap, moet duidelijk worden gewezen op de mogelijkheden van verzet, zodat men kan men laten weten dat men hiervan niet gediend is. Dit moet dan niet ergens in de kleine lettertjes staan, onvindbaar op een website, maar in dezelfde boodschap die men gebruikt om de burger die reclame onder de neus te duwen. De SP-fractie vindt dat heel belangrijk. Als ik een quasigeadresseerde reclamefolder krijg, moet in diezelfde folder worden opgenomen hoe ik uit het bestand geschrapt kan worden, zoals wij nu ook, op het moment dat wij gebeld worden door iemand die via de telefoon iets aan ons wil verkopen, direct kunnen worden gewezen op het Bel-me-niet register en mogelijk kunnen worden doorverbonden.

    Het wetsvoorstel schrapt de huidige regel dat bij iedere rechtstreekse boodschap telkens moet worden gewezen op de mogelijkheid tot verzet. Ik vind dat heel slecht. Als wij het hebben over beperking van de lasten, denk ik ook direct aan de lasten voor de burger, die immers zelf op onderzoek moet uitgaan en zelf moet uitzoeken waar hij zich kan afmelden voor de voor hem onzinnige post, die hij helemaal niet wil ontvangen. Vermindering van lastendruk mag niet leiden tot een grotere overlast voor burgers. Het argument van de regering dat dit het bedrijfsleven veel geld kost, vind ik niet zinnig. Als men mensen lastigvalt met reclameboodschappen om daar geld aan te verdienen, moet men ook respecteren dat niet iedereen daarvan gediend is. Ik ben dan ook erg te spreken over het amendement van het voormalig Tweede Kamerlid Anker, dat inmiddels is omgedoopt in het amendement-Schouten. Dit amendement zorgt ervoor dat het vierde lid van artikel 41 in de Wet bescherming persoonsgegevens blijft staan. Telkens moet worden gewezen op de mogelijkheid verzet aan te tekenen. De SP-fractie zal dit amendement van harte steunen.

    Ik kom nu bij het amendement dat aanvankelijk is ingediend door de heer Van Haersma Buma. In dit amendement staat dat als persoonsgegevens verwerkt worden, er een informatieplicht is naar de mensen die daarom verzoeken. Als men bijvoorbeeld de persoonsgegevens aanvult of verbetert, is men ook verplicht derden, aan wie men de gegevens heeft verstrekt, daarover te informeren. Het wetsvoorstel stelt daar in de artikelen 30 en 38 een concrete termijn voor, namelijk vier weken, maar het CDA-amendement schrapt die termijn, uit vrees voor lastenverzwaring voor het bedrijfsleven. Ik denk dat die lastenverzwaring wel zal meevallen. Voor mijn fractie weegt de rechtsbescherming van de burgers zwaar. Ik ben benieuwd naar de inbreng van de heer Çörüz, maar wij zullen dit amendement vooralsnog niet steunen.

    Ik kom bij het laatste amendement, eveneens ingediend door de heer Van Haersma Buma, over de uitbreiding van het verwerken van gevoelige persoonsgegevens naar accountants en toezichthouders. Gegevens over iemands ras, godsdienst of gezondheid mogen niet zomaar worden verwerkt; daar moeten wij voorzichtig mee zijn. Het CDA-amendement maakt hier in onze ogen een veel te ruime uitzondering op, zonder dat duidelijk wordt gemaakt op basis van welk belang dit dringend noodzakelijk is. Door dit amendement wordt het voor alle toezichthouders mogelijk om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. Ik vind dat te ruim, want daaronder vallen namelijk ook boswachters en speelautomatencontroleurs. Bij de registeraccountants kan ik mij nog iets voorstellen, maar met het amendement in deze vorm kan mijn fractie niet instemmen.

    15 juni 2011 omstreeks 10:28 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  7. Voorzitter. Wij bespreken vandaag twee wetsvoorstellen waarmee de regering de lasten voor het bedrijfsleven wil terugbrengen. Dat is goed en dat doen wij liever vandaag dan morgen. Wij moeten echter wel zorgvuldig het belang van de privacy en de bescherming van persoonsgegevens afwegen. Dat leidt voor de ChristenUnie-fractie op een paar punten tot vragen en op één punt tot een aanpassing.

    Allereerst het voorstel inzake de Telecommunicatiewet. Drie jaar geleden vond in deze Kamer het debat plaats over het bewaren van telecommunicatiegegevens ten behoeve van het onderzoeken, opsporen en vervolgen van ernstige misdrijven. Het was drie jaar geleden zoeken naar een evenwicht tussen enerzijds het opsporingsbelang en anderzijds het recht op privacy. De voorgestelde bewaartermijn was achttien maanden, maar het evenwicht werd gevonden in de door de ChristenUnie voorgestelde termijn van twaalf maanden. Het voorstel dat wij vandaag bespreken, introduceert een kortere bewaartermijn voor internetgegevens, namelijk zes maanden. De ChristenUnie-fractie voelt daar veel voor, maar heeft nog wel een paar vragen. De regering stelt dat het belang van opsporing is afgewogen tegen het belang van de bescherming van privacy van burgers en het belang van de aanbieder die de gegevens moet bewaren.

    Dat moet inderdaad de weging zijn, maar in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag zie ik vooral het belang van de aanbieders terugkomen. Vanuit privacyoogpunt vindt de ChristenUnie een minimumtermijn van zes maanden natuurlijk optimaal. Maar kan de staatssecretaris ook toelichten hoe dit zich verhoudt tot het opsporingsbelang? Is een termijn van zes maanden verder wel toereikend om betekenisvol te zijn? En wat zijn de mogelijkheden op het terrein van cybercrime en de bestrijding van kinderporno vanuit het Wetboek van Strafvordering? Zijn daar wellicht aanvullingen voor nodig?

    Uit de nulmeting Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens uit mei 2010 blijkt dat er nog een hoop werk aan de winkel was voor de aanbieders. Nog niet alle noodzakelijke gegevens werden bewaard. Maar wat zorgelijker is, is dat de vernietiging van de opgeslagen gegevens nog geregeld moest worden. Is dit inmiddels gebeurd en is de informatie en de voorlichting door de overheid inmiddels op orde? Graag een update over de ontwikkelingen op dit vlak.

    Het wetsvoorstel Wet bescherming persoonsgegevens ziet erop, de lasten voor het bedrijfsleven, voortvloeiende uit de Wet bescherming persoonsgegevens zo veel mogelijk terug te dringen. Het streven is goed, al is de reikwijdte beperkt, zo constateren ook VNO-NCW en Actal. Het is een goed streven, zo lang het maar niet ten koste gaat van het beschermingsniveau van de gewone burger. Dat is een uitgangspunt dat de staatssecretaris in zijn eigen privacybrief ook noemt. Daar zit voor de ChristenUnie wel de pijn, pijn veroorzaakt door het schrappen van artikel 41, vierde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

    De kern van het huidige artikel 41, vierde lid, is helder: elke keer dat een bedrijf een burger ongevraagd lastig valt met geadresseerde post moet duidelijk worden vermeld hoe de ontvanger ervoor kan zorgen dat hij daar in de toekomst geen last meer van heeft. Hiermee heb je als burger dus de regie over je eigen brievenbus. Door het schrappen van dit artikel raak je die regie kwijt. Dat leidt tot een daling van het beschermingsniveau van de burgers, zo stelt het College bescherming persoonsgegevens terecht. Als gezegd zou de staatssecretaris het ook niet fijn moeten vinden, want het is in strijd met het uitgangspunt in zijn privacybrief. Daar komt bij dat er geen enkele vermindering van de administratieve lasten tegenover staat.

    De minister schreef in de nota naar aanleiding van het verslag dat de voorgestelde wijziging van artikel 41 van de wet van betekenis zal zijn voor de bedrijven die zich richten op direct marketing. Het gaat dan om nalevingskosten, de kosten die het bedrijfsleven moet maken om te voldoen aan de wet. Met dit wetsvoorstel wil de regering blijkbaar de winstgevendheid van het ongevraagd lastigvallen van mensen vergroten door het beschermingsniveau voor de gewone burger te verlagen. Dat vraagt echt om uitleg van de staatssecretaris.

    Het mag niet zo zijn dat iemand die ongevraagd geadresseerde reclame in zijn brievenbus vindt, een zoektocht op internet moet ondernemen of de kranten moet uitpluizen om uit te vinden hoe hij zich af kan melden. Ik heb dan ook een amendement ingediend om artikel 41, vierde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens te handhaven. Dat amendement is volledig in lijn met het beleid voor telemarketing. Daar is een bel-me-niet register ingesteld, waarbij geldt dat het bedrijf of de organisatie die belt, de consument er actief op moet wijzen dat het bel-me-niet register bestaat en dat hij zich daar kan inschrijven. Ook bij het ontvangen van ongewenste direct marketing moet meteen duidelijk zijn waar de ontvanger zich kan melden om te voorkomen dat hij in de toekomst weer lastig wordt gevallen.

    15 juni 2011 omstreeks 10:37 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  8. Andre Elissen (PVV)

    Voorzitter. Er liggen vandaag twee wetten voor ter bespreking. Ik zal allereerst iets zeggen over de Wet bescherming persoonsgegevens en de administratieve lastenverlichting.

    Het terugdringen van de administratieve lasten is natuurlijk een goede zaak. Mede door de analyse van Actal en het CPB ben ik er echter nog niet helemaal van overtuigd dat het effect van de regeling groot zal zijn. Het te verwachten bedrag is volgens ons niet volledig te onderbouwen en er wordt uiteindelijk over reductiepotentieel gesproken.

    Ik kom nu eerst te spreken over de brief van Actal. Daarna zal ik nog een aantal vragen stellen over de opmerkingen van het CPB, het College Bescherming Persoonsgegevens.

    Actal adviseert, het wetsvoorstel niet in te dienen. Als je dat leest, heb je de neiging om daarvan te schrikken. Mijn fractie heeft dan ook een aantal openstaande vragen. Uit de stukken heb ik eigenlijk nog steeds geen helder antwoord kunnen distilleren en daarom heb ik toch nog een aantal vragen ter verduidelijking aan de minister. Op welke punten gaat het wetsvoorstel de regeldruk voor bedrijven merkbaar verminderen? Waarom zijn verder de alternatieven om de administratieve lasten voor burgers te voorkomen niet in de memorie van toelichting behandeld?

    Ik verwijs naar de brief van Actal, waarmee het adviescollege hierover al in 2006 advies uitbracht.

    Het CBP was in zijn opmerkingen van 26 juli 2007 gelukkig wat minder negatief over de voorgenomen aanpassing. Desalniettemin heb ik ook hierover nog een aantal vragen. Gaat het wetsvoorstel daadwerkelijk een lastenverlichting opleveren? Er wordt een bedrag genoemd van ruim 2,2 mln. Onderbouwd wordt dat bedrag echter niet. Klopt dat bedrag? Zou de minister het nog enigszins kunnen onderbouwen?

    Een ander punt is de boetebevoegdheid. Hoe verandert, voor zover dat noodzakelijk mocht zijn, de boetebevoegdheid van het CBP door de voorgenomen wijzigingen? De reden waarom ik dit aan de orde stel, is dat het CBP aangeeft dat hier niets aan zal veranderen en dat hierdoor in de praktijk geen boetes opgelegd kunnen worden. Deelt de minister deze analyse? Nogmaals, ik refereer dus aan een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij de boetebevoegdheid met betrekking tot de overgangsregeling ertoe heeft geleid dat er moest worden terugbetaald door het CBP. Is er een noodzaak tot wijziging of is dat inmiddels door de tijd ingehaald? Als het laatste het geval is: is het inmiddels voldoende geregeld?

    Dan kom ik nog op de telecommunicatiewetgeving en de bewaartermijnen. Daar is al heel veel over gezegd. Het is een lang een moeizaam traject geweest en dat is begrijpelijk, want het gaat om een afweging tussen de belangen van privacy en die van opsporing en natuurlijk ook die van de aanbieders. Ons bereiken vanuit het opsporingsveld signalen dat men toch behoefte heeft aan een liefst zo lang mogelijke bewaartermijn. Die wens begrijpen wij, maar aan de andere kant hebben we ook te maken met de realiteit van alledag en dienen privacyaspecten zwaar te wegen. Desalniettemin ligt onze voorkeur eigenlijk toch erbij, op twaalf maanden te blijven zitten. Bij voorkeur wordt het dus twaalf en twaalf. Dat is voor ons echter geen breekpunt. We zeggen niet: dat moet per se geregeld worden. Wij kunnen ons ook neerleggen bij het voorstel dat er thans ligt, twaalf maanden versus zes maanden. Wil de staatssecretaris dan echter toelichten waarin nu precies het verschil zit tussen die bewaartermijn van zes maanden en die van twaalf maanden? We plaatsen het ook in de context van minimaal 6 en maximaal 24 maanden. Zo gezien waren die twaalf maanden een mooie middenweg geweest. Dit is voor ons echter geen onoverkomelijk bezwaar. Wel willen we dat de signalen vanuit de opsporing en vanuit de OM-lijn serieus genomen worden. Wat dat betreft zien wij graag een evaluatie op een in ieder geval kortere termijn dan die van vijf jaar die thans voorgesteld wordt. Ik heb zojuist ook begrepen dat er al een amendement is ingediend dat reeds tot een aanpassing heeft geleid van de termijn naar drie jaar. Als de staatssecretaris kan toezeggen dat er binnen die drie jaar een gedegen evaluatie plaatsvindt, met name gericht op de effecten op de uitvoeringspraktijk van politie en OM, dan zijn wij tevredengesteld.

    Daar wil ik het in deze termijn bij laten.

    15 juni 2011 omstreeks 10:45 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  9. Ik heb nog een korte vraag. U geeft aan dat u privacy belangrijk vindt. Hoe kijkt u aan tegen het ingediende amendement om ervoor te zorgen dat direct marketeers wel moeten aangeven hoe mensen zich kunnen afmelden als zij niet gediend zijn van al die mooie foldertjes met allemaal persoonlijke kredietkaarten en wat niet al?

    15 juni 2011 omstreeks 10:52 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  10. Andre Elissen (PVV)

    Ik zeg u toe dat ik dat amendement goed ga bestuderen. In principe vind ik dat we de consument niet overbodig en onnodig moeten lastigvallen. Als we daarmee de privacy van de consument dienen, dan heb ik de neiging om daar positief op te reageren. Ik heb het amendement echter nog niet in detail gelezen. Ik zeg u toe dat ik dat ga doen, en dan kom ik erop terug.

    15 juni 2011 omstreeks 10:52 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  11. Attje Kuiken (PvdA)

    Voorzitter. Ik begin met de Telecommunicatiewet en ga daarna in op de Wet bescherming persoonsgegevens.

    Het wetsvoorstel tot aanpassing van de Telecommunicatiewet in verband met de bewaarplicht telecomgegevens is tot stand gekomen na verzet door de Eerste Kamer tegen het vorige voorstel. De PvdA vond bij de behandeling destijds al dat het kabinet ten onrechte koos voor een zware bewaarplicht. Mijn fractie heeft in het debat dan ook herhaaldelijk gevraagd om bewijs dat een zwaardere bewaarplicht zou rechtvaardigen en dat zou leiden tot een daadwerkelijke oplossing van de problemen in bijvoorbeeld het aanpakken van criminaliteit.

    Dit bewijs kwam er niet en dat terwijl het bewaren van telecommunicatiegegevens gedurende een jaar een zeer grote inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer. Als van mij een jaar lang wordt bijgehouden welke websites is bezoek, welke programma's ik bekijk, waar ik wanneer ben, wanneer ik slaap, op welke locatie ik mij bevind, welke boeken ik lees en bij welke bank ik bankier, dan is er onnodig veel van mij bekend. Werkelijk alles en alles wordt vastgelegd.

    Dat alles vastleggen mag alleen gebeuren als nut en noodzaak overtuigend zijn aangetoond. Bij een bewaarplicht van een jaar is dat niet het geval. Om die reden hebben wij ons daartegen verzet.

    De richtlijn is zoals die is, maar het is goed dat de bewaartermijn voor data nu op zes maanden is gesteld. Voor het telefoonverkeer zien wij graag hetzelfde en daarom zijn wij mede-indieners van het amendement dat mevrouw Gesthuizen zojuist heeft aangekondigd.

    Wij onderschrijven de doelstelling van de staatssecretaris om de administratieve lasten die samenhangen met de Wet bescherming persoonsgegevens te drukken. Gelijktijdig moet het terugdringen van administratieve lasten geen verkeerd effect sorteren. Vorige sprekers hebben een aantal voorbeelden genoemd.

    Ik ga in op artikel 41, waarin staat dat het aan de verantwoordelijke bedrijven wordt overgelaten wat te doen als zij worden geconfronteerd met reclameboodschappen. Dit druist rechtstreeks in met wat wij hebben willen bereiken met het Bel-me-niet Register. Bedrijven worden actief opgeroepen, burgers te beschermen tegen ongewenste reclame. Wij vinden het dan ook niet slim dat deze maatregel op deze manier wordt beperkt. Samen met de fractie van de ChristenUnie hebben wij een amendement ingediend.

    Ik heb een vraag over artikel 31. In eerste instantie was hierin de eigen observatie opgenomen. Uiteindelijk werd het eigen onderzoek. Wat is het verschil tussen eigen observatie en eigen onderzoek? Is googlen ook eigen onderzoek? Ik wil graag de reikwijdte hiervan weten.

    Ik heb ook een vraag over amendement nr. 13 van de heer Van Haersma Buma. Ik wil graag een reactie van de staatssecretaris op dit amendement. Wij vinden het in eerste instantie niet wenselijk, de termijn er weer uit te halen, omdat wij het juist een waardevolle aanvulling vinden.

    Tevens heb ik een vraag over amendement nr. 14 van de heer Van Haersma Buma. Het is dezelfde vraag die mevrouw Gesthuizen heeft gesteld. Welke toezichthouders vallen hieronder? Zijn het de boswachters die straks van mij allerlei persoonlijke gegevens kunnen opvragen?

    15 juni 2011 omstreeks 10:53 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  12. Ard van der Steur (VVD)

    Voorzitter. De twee wetsvoorstellen zal ik bespreken in de volgorde die de meeste collega's hebben gehanteerd. Ik begin met het wetsvoorstel over de bewaartermijn van telecomgegevens.

    De VVD-fractie kijkt bij dit soort wetsvoorstellen aan de ene kant naar het belang van de opsporing en aan de andere kant naar het belang van de privacy van onze samenleving. In dit geval kijken wij ook naar de kosten voor de internetproviders.

    De VVD-fractie heeft enige tijd geleden al de afweging gemaakt dat een langere termijn voor het bewaren van deze gegevens het beste is, zodat de opsporingsinstanties geruime tijd de mogelijkheid hebben, de informatie te gebruiken voor het aanpakken, opsporen en vervolgen van criminelen en bijvoorbeeld ook terroristen. De vraag aan de staatssecretaris is dan ook waarom hij vindt dat de termijnen van 6 respectievelijk 12 maanden overeenkomstig het huidige voorstel voldoende zouden zijn voor een effectieve opsporing van de zojuist door mij genoemde zaken. Ik denk dan bijvoorbeeld specifiek aan wat eerder is genoemd: de opsporing van kinderporno en inderdaad ook terrorisme.

    15 juni 2011 omstreeks 10:58 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  13. Bruno Braakhuis (GroenLinks)

    Voorzitter. Ik wil toch heel graag van de heer Van der Steur weten hoeveel criminelen er zijn opgepakt door, letterlijk, de datamining op opgeslagen surfdata.

    15 juni 2011 omstreeks 11:00 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  14. Ard van der Steur (VVD)

    Dank u. Ik vind dit een goede vraag. Zij komt later in mijn betoog aan de orde, omdat ik dezelfde vraag aan de staatssecretaris wil stellen. Het antwoord weet ik zelf dus niet. Dat is de reden waarom ik de vraag aan de staatssecretaris zal stellen. Overigens is zij eerder gesteld, terecht, door mevrouw Gesthuizen, de eerste spreker in dit debat.

    15 juni 2011 omstreeks 11:00 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  15. Bruno Braakhuis (GroenLinks)

    Dus als het antwoord van de staatssecretaris is: "ik heb geen idee" of: "het zijn er waarschijnlijk één, twee of nul" dan neemt de heer Van der Steur dit argument terug uit zijn betoog?

    15 juni 2011 omstreeks 11:00 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  16. Ard van der Steur (VVD)

    Nee, dan zal de heer Van der Steur dat argument en de beantwoording van de door de heer Van der Steur en mevrouw Gesthuizen al gestelde vraag meenemen in de afweging wat hij zijn fractie zal adviseren om ten aanzien van dit wetsvoorstel te stemmen.

    Het verkiezingsprogramma van de VVD bepaalt expliciet dat privacy en aantasting daarvan alleen dan gerechtvaardigd is als dat voor de opsporing van criminelen en strafbare feiten essentieel en noodzakelijk is. Daarom vraagt de VVD-fractie zich bij dit soort wetsvoorstellen telkens af wat precies het nut en de noodzaak zijn van een wetsvoorstel als hier voorligt.

    Ik heb een aantal vragen waarvan enkele al door een aantal collega's zijn aangestipt. Die zal ik dan kort herhalen. Wat is de reactie van de staatssecretaris op het evaluatierapport van de Europese Commissie, waarin, in ieder geval naar wat de VVD-fractie begrijpt, getendeerd wordt naar een herziening van de richtlijnen die er liggen. Hoe zit dat met de opmerkingen van de Europese privacywaakhond, om hem zo maar even te noemen, de heer Hustinx, die ook aangeeft dat de Data Retentie Richtlijn een slechte zaak zou zijn voor Europa.

    Ik heb al in een interruptie op het betoog van mevrouw Gesthuizen gevraagd naar haar oordeel over de brief van BCPA die afgelopen vrijdag aan de Kamercommissie is gestuurd. Daarin staat dat het onterecht is dat je om een realistische vergoeding vast te stellen alleen kijkt naar de kleine en de grote ISP's. Er zijn namelijk ook verschillen tussen ISP's die voor de zakelijke markt werken en ISP's die met name voor particulieren werken. De vraag aan de staatssecretaris is hoe hij tegen deze kwestie aankijkt in combinatie met het amendement dat mevrouw Gesthuizen en anderen hebben ingediend. Welke vergoeding moet er volgens de staatssecretaris worden betaald als er sprake is van inzage in gegevens en dus van activiteiten bij ISP's om die gegevens op grond van de wet te verstrekken?

    15 juni 2011 omstreeks 11:01 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  17. Bruno Braakhuis (GroenLinks)

    Betekent dit dat de heer Van der Steur meer hecht aan "gewone" straatcriminaliteit dan aan witteboordencriminaliteit? Alsof er via het zakelijk verkeer geen criminele activiteiten plaatsvinden!

    15 juni 2011 omstreeks 11:04 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  18. Ard van der Steur (VVD)

    Ik vrees dat de heer Braakhuis mijn opmerkingen volstrekt verkeerd begrepen heeft. Dat geeft mij de gelegenheid om die in antwoord op zijn opmerking te herhalen. Het gaat erom dat ISP's recht op een vergoeding hebben als er inzage wordt gevraagd in door hen bewaarde gegevens. In het amendement van mevrouw Gesthuizen wordt ervan uitgegaan dat er een verschil bestaat tussen kleine ISP's en grote ISP's. Dat punt wordt in de markt ook uitgebreid aan de orde gesteld. De eerdergenoemde brief van BCPA wijst erop dat er ook onderscheid moet worden gemaakt tussen ISP's die voor particulieren werken en ISP's die voor de zakelijke markt werken. Dan gaat dus niet om inzage in gegevens, mijnheer Braakhuis, maar om de vergoeding die voor inzage in gegevens wordt betaald. Het heeft dus niets te maken met het onderscheid tussen particuliere criminaliteit of witteboordencriminaliteit; het gaat erom welke vergoeding overheidsinstanties dienen te betalen voor het inzien van gegevens en over of die vergoeding redelijk is in vergelijking met de daar tegenoverliggende investering die ISP's, dus de grote en de kleine, en die voor de zakelijke en de particuliere markt, in het bewaren van die gegevens moeten doen.

    15 juni 2011 omstreeks 11:04 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  19. Bruno Braakhuis (GroenLinks)

    Dus waar mevrouw Gesthuizen een heel eenvoudig meetbaar middel hanteert zoals de omvang van de ISP, stelt u voor om ook maar eens thematisch na te gaan of de ene soort ISP anders moet worden benaderd dan de andere soort? Zo kunnen we er nog vijftig vinden.

    15 juni 2011 omstreeks 11:06 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

  20. Ard van der Steur (VVD)

    Voorzitter. Als dat nodig is voor deskundige, kwalitatief hoogwaardige wetgeving, wat onze kerntaak hier in de Tweede Kamer is en waarvan de heer Braakhuis, naar ik aanneem, ook overtuigd is, dan zul je die vragen moeten stellen.

    Het is een rechtvaardige vraag die wordt neergelegd door de BCPA, de vertegenwoordiger van de organisatie van de zakelijke internetproviders. Het is dan ook alleszins redelijk om aan de staatssecretaris te vragen of hij bij het vaststellen van de vergoedingen de belangen van dat soort internetproviders in ogenschouw wil nemen. De heer Braakhuis deed de suggestie dat het zou gaan om het beschermen van witteboordencriminelen. Dan kent de heer Braakhuis de spreker Van der Steur nog niet goed genoeg, want als hij ergens een schurfthekel aan heeft, dan is het dat wel. Voorzitter, het laatste had ik waarschijnlijk niet mogen zeggen, want dat is onparlementair taalgebruik. Ik verzoek dan ook aan de Stenografische Dienst om daarvan te maken: als hij ergens een hekel aan heeft, dan is het wel aan witteboordencriminaliteit.

    15 juni 2011 omstreeks 11:07 via Telecommunicatiewet - Link - Delen

Over dit debat

Bericht van de makers

“Ehm... waar zat dat knopje om een bonnetje uit te printen nou ook al weer?”

Wolq helpt om software en het web gebruiks-vriendelijker te maken, zodat uw klanten nooit meer hoeven te zoeken naar een bepaalde funtie. Ook bedenken wij innovatieve oplossingen, zoals Publitiek, voor complexe vraagstukken.

Benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen?