Publitiek.nl stopt per 1 januari 2015


Beste bezoeker,

In september 2009 ontwierpen wij Publitiek als inzending voor een wedstrijd van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Als net opgericht ontwerpbureau wilden wij onze visie laten zien op een gebruiksvriendelijke overheid.

Vijf jaar later is Publitiek uitgegroeid tot een platform waar dagelijks duizenden Nederlanders gebruik van maken. Politici, journalisten, maar vooral ook gewone burgers. Daar zijn wij enorm trots op.

lees verder...

DNA-onderzoek

Debat in de Tweede Kamer op 6 april 2011

  1. Voorzitter

    Ik heet de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van harte welkom.

    De algemene beraadslaging wordt geopend.

    6 april 2011 omstreeks 10:15 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  2. André Rouvoet (ChristenUnie)

    Voorzitter. We bespreken vandaag een belangrijk wetsvoorstel met op onderdelen knap ingewikkelde materie. Het gaat wel ergens over. DNA-onderzoek is namelijk een punt waar je goed naar moet kijken, omdat het verstrekkende gevolgen heeft of kan hebben en ook enorm belangrijk kan zijn met name bij de opsporing van strafbare feiten. Als er wordt voorgesteld om dat type onderzoek in het kader van opsporing uit te breiden, is het zaak om daar heel zorgvuldig en goed naar te kijken.

    Dit wetsvoorstel bevat een viertal voorstellen die voor het overgrote deel afkomstig zijn uit een eerdere nota die in de Kamer is besproken, zoals uitvoerig in de stukken beschreven is. De vier zaken die bij wet zullen worden geregeld, betreffen de introductie van het DNA-verwantschapsonderzoek, een uitbreiding van de mogelijkheden voor de toepassing van DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken, de toekenning van de bevoegdheid aan de hulpofficier van justitie tot het verrichten van DNA-onderzoek op celmateriaal van een onbekende verdachte en daarnaast het verrichten van DNA-onderzoek aan de hand van celmateriaal van vermiste niet-verdachte personen of hun eerstegraads familieleden. Het wetsvoorstel regelt dat de DNA-profielen die uit dat celmateriaal worden verkregen, in de DNA-databank voor strafzaken kunnen worden verwerkt.

    DNA-onderzoek is een krachtig opsporings- en bewijsmiddel, waarmee daders kunnen worden opgespoord, vervolgd en berecht. Daarnaast kan worden voorkomen dat onschuldigen worden verdacht of veroordeeld. Tegelijkertijd kent ook DNA-onderzoek zijn beperkingen als middel. Het is dan ook zaak een goed evenwicht te bewaren tussen het algemene belang van een veilige samenleving aan de ene kant en de bescherming van het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen aan de andere kant. Volgens mijn fractie is het terecht dat de Raad van State de proportionaliteitsvraag bij de wettelijke uitbreiding van de toepassing van DNA-onderzoek steeds vooropstelt: wegen de nadelen van de verdergaande inbreuk op grondrechten op tegen de maatschappelijke noodzaak voor de toepassing van DNA-onderzoek en de te verwachten voordelen daarvan? Je kunt die stelling ook omdraaien, maar die twee punten moet je goed tegen elkaar afwegen. Dat heet dan de proportionaliteitsvraag.

    Mijn bijdrage zal zich vooral richten op de introductie van het DNA-verwantschapsonderzoek. Dat is ook niet vreemd, want ook de stukken en de toelichting geven daar de meeste aanleiding voor. Ook in de ontvangen reacties gaat daar de meeste aandacht naar uit. Die reacties zijn overwegend positief, maar voor zover die kritiek bevatten, richt die kritiek zich op het verwantschapsonderzoek en de vragen die daarmee samenhangen. Dat zal ook in mijn inbreng het geval zijn, alleen al omdat wij de andere voorstellen kunnen ondersteunen, zoals ook uit de schriftelijke inbreng is gebleken.

    Ik wil wel een vraag stellen over de kwestie van de vermiste niet-verdachte personen en hun familieleden. Bij herlezing van de stukken vond ik de formuleringen op dat punt knap ingewikkeld, soms bijna nodeloos ingewikkeld. Het zal niet zo bedoeld zijn, maar het blijft heel lastig om de verschillende categorieën die in de toelichting beschreven worden, goed met elkaar te vergelijken.

    Misschien kan de staatssecretaris nog even de vraag beantwoorden wat precies de noodzaak is om de DNA-profielen van personen die vermist worden, dus niet verdacht zijn, op te nemen in de DNA-databank in strafzaken. Is het bijvoorbeeld niet mogelijk om in de bestaande DNA-databank voor vermiste personen een voorziening te treffen zodat die ingezet kan worden voor het doel waarvoor het DNA-verwantschapsonderzoek hier wordt opgenomen, namelijk om bij te dragen aan de opsporing van strafbare feiten? Is het noodzakelijk om dat over te zetten in de DNA-databank voor strafzaken? Inhoudelijk, voor zover het gaat om de doelstellingen, zijn wij het eens over de inzet van dit middel, maar deze vraag zie ik graag beantwoord.

    Zoals gezegd zal ik mij met name richten op het voorstel voor de introductie van het DNA-verwantschapsonderzoek. De vergelijking die bij het nu voorgestelde verwantschapsonderzoek plaatsvindt, is niet, zoals bij het klassieke DNA-onderzoek, gericht op een volledige overeenkomst -- de hit/no-hitvergelijking tussen het DNA-profiel van een onbekende verdachte en dat van een bekende persoon -- maar juist op een gedeeltelijke overeenkomst, die erop kan duiden dat een bloedverwant van de onderzochte persoon de mogelijke dader is.

    DNA-gegevens zijn bijzondere gegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Deze gegevens krijgen dan ook extra bescherming doordat het verscherpte regime van de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing is. Zo bepaalt het huidige artikel 21, lid 4 van de Wet bescherming persoonsgegevens dat erfelijkheidsgegevens alleen mogen worden gebruikt met betrekking tot de betrokkene zelf en niet met betrekking tot anderen in dezelfde genetische lijn. Deze bepaling beoogt het gebruik van erfelijkheidsgegevens te individualiseren.

    Het introduceren van DNA-verwantschapsonderzoek doorbreekt het uitgangspunt van het op de individuele persoon gerichte gebruik van erfelijkheidsgegevens. Als ik het goed zie, ligt daar de kern van de kritiek van onder meer het College bescherming persoonsgegevens en de Nederlandse Orde van Advocaten. Daarop richten zich ook de kritiek en de vragen van mijn fractie; ik verwijs naar het verslag. Ik vraag de staatssecretaris nog eens heel scherp aan te geven hoe hij de proportionaliteitsvraag beantwoordt. Welk belang is zo groot om daarvoor dit toch tamelijk fundamentele uitgangspunt te verlaten? Misschien wil de staatssecretaris ingaan op de noodzaak daarvan.

    Als ik de stukken nog een keer goed tot mij laat doordringen, vallen mij enkele dingen op. Er wordt vooral verwezen naar het feit dat het DNA-verwantschapsonderzoek in Engeland en Wales een aantal keren succesvol is gebleken -- ik zal daar straks nog iets over zeggen -- waarbij wordt opgemerkt dat het maar heel sporadisch zal worden ingezet. Dat maakt de proportionaliteitsafweging niet buitengewoon overtuigend. Ik zeg dit expliciet, omdat in de nota naar aanleiding van het verslag een aantal keren wordt aangegeven dat dit middel inderdaad slechts sporadisch zal worden ingezet.

    Actief DNA-verwantschapsonderzoek zal naar schatting slechts vijf à tien keer per jaar worden ingezet en daarnaast kent het DNA-verwantschapsonderzoek zoals bekend een aantal nadelen. Die worden in de stukken keurig opgesomd. Bijvoorbeeld is er het risico dat onschuldige mensen in beeld komen bij politie en justitie omdat hun DNA-profiel door toeval, en dus niet door verwantschap, veel kenmerken gemeen heeft met het daderspoor. Ik benadruk dat dit kan duiden op het feit dat een bloedverwant van de onderzochte persoon de mogelijke dader is. Een tweede nadeel is dat met DNA-verwantschapsonderzoek een aanwijzing in de richting van een bepaalde persoon simpelweg kan voortvloeien uit het gegeven dat iemand in de familie verdacht of veroordeeld is. Een derde bezwaar volgens de stukken van de regering is dat via verwantschapsonderzoek ongewild andere feiten aan het licht kunnen komen. Bijvoorbeeld kan blijken dat iemand een kind is van een andere biologische ouder. Een vierde bezwaar is dat lange lijsten van personen met gedeeltelijke overeenkomsten tussen DNA-profielen, die kunnen leiden tot een actieve doorzoeking van de DNA-databank op verwantschap bij het NFI, een groot beslag kunnen leggen op de capaciteit van NFI, politie en justitie.

    Dit zijn vier nadelen die de regering zelf onderkent. Daartegenover worden als voordelen genoemd -- zonder daar badinerend over te doen, want ik zie het belang van het opsporingsonderzoek -- dat het DNA-verwantschapsonderzoek slechts sporadisch zal worden ingezet en het in Engeland en Wales succesvol is gebleken.

    Als we dan meewegen dat de nota naar aanleiding van het verslag terecht stelt dat dit type DNA-onderzoek een zwaardere inbreuk op het recht van bescherming van de persoonlijke levenssfeer zal opleveren dan het klassieke DNA-onderzoek, dan lijkt het mij goed dat de staatssecretaris op die proportionaliteitsvraag nog eens heel secuur ingaat in dit debat. Ik wijs er ook op dat naast Engeland en Wales er geen andere Europese landen zijn die dit type DNA-verwantschapsonderzoek toepassen of overwegen om dat te gaan doen. Juist Engeland en Wales zijn de landen die een ruime ondergrens voor de toepassing van klassiek DNA-onderzoek kennen. De enige grens is dat je in de cel moet zitten om celmateriaal af te staan. Dat is niet de kant die wij zouden op willen en overigens ook niet de kant die de regering op wil waar het gaat om de ondergrens, die drempel om gemakkelijk tot DNA-onderzoek in klassieke zin over te gaan.

    6 april 2011 omstreeks 10:15 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  3. Lilian Helder (PVV)

    Het verhaal van collega Rouvoet is op zichzelf heel duidelijk. Ik deel zijn zorg voor een deel ook wel. Ik heb nog wel de volgende vraag. In het nieuwe artikel 151da inzake het verwantschapsonderzoek staat dat het bevel slechts kan worden gegeven na een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Die zal natuurlijk ook de belangenafweging maken. Vindt de heer Rouvoet dat voldoende of wil hij er nadere opheldering over?

    6 april 2011 omstreeks 10:31 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  4. André Rouvoet (ChristenUnie)

    Een heldere vraag. Waar het gaat om meer ingrijpende opsporingsmiddelen kan dat niet zomaar en zal de rechter-commissaris toestemming moeten geven. Wanneer je een verruiming van de mogelijke toepassing van een opsporingsinstrument, in dit geval het DNA-onderzoek, opneemt, is het natuurlijk een goede waarborg dat dit niet kan dan nadat de rechter-commissaris er toestemming voor heeft verleend, maar de fundamentele vraag blijft wel of je die verruiming bij wet moet willen opnemen. Om dat goed te beoordelen, heb je daar toch echt de proportionaliteitsvraag voor nodig. En op dat punt ben ik nog echt overtuigd en wil ik van de staatssecretaris een goed verhaal horen. Als we het doen -- dat ben ik met u eens -- dan zal dat bij zo'n ingrijpend middel moeten gebeuren na toestemming van de rechter-commissaris.

    Zoals gezegd, is het aanbrengen van wijzigingen aan de ondergrens van gewoon DNA-onderzoek niet iets wat wij zouden willen en, als ik het goed lees, ook niet iets wat de regering zou willen. Het gaat om de introductie van een nieuw type onderzoek en niet om het verlagen van de drempel tot onderzoek in het algemeen. Dat laatste is echter wel wat wij in Engeland en Wales zien. Dat zijn dus de enige twee landen waarvan de regering aangeeft dat die dit type onderzoek ook kennen. De vraag is dan ook waarom wij wat betreft het verwantschapsonderzoek het voorbeeld van deze twee, in algemene zin niet voorbeeldige landen op het punt van DNA-onderzoek, zouden moeten gaan volgen. Ik ben dus niet overtuigd van de noodzaak om het uitgangspunt van het individuele gebruik van erfelijkheidsgegevens te verlaten en over te gaan tot DNA-verwantschapsonderzoek.

    Naast de proportionaliteitsvraag hebben wij natuurlijk te maken met de subsidiariteitsvraag. In de toelichting en de stukken wordt enkele keren in ieder geval de indruk gewekt dat het DNA-verwantschapsonderzoek pas zal worden ingezet als alle andere middelen in het kader van het opsporingsonderzoek waaronder ook het klassieke DNA-onderzoek- beproefd zijn. Ik wijs op pagina 2 van de memorie van toelichting. Daar staat: "Als het klassieke DNA-onderzoek geen resultaten heeft opgeleverd, kan onder omstandigheden met behulp van verwantschapsonderzoek de identiteit van een verdachte alsnog worden vastgesteld of kan een mogelijke verdachte worden uitgesloten." Op pagina 6 van dezelfde memorie van toelichting lees ik: "Een dergelijk DNA-verwantschapsonderzoek zal vooral in de rede liggen in gevallen waarin DNA-profielvergelijking niet tot resultaat leidt en er weinig of geen aanwijzingen zijn over de identiteit van de dader." Kortom, twee keer wordt op z'n minst de indruk gewekt dat er sprake is van subsidiariteit: wij doen dit pas als ook het klassieke DNA-onderzoek op basis van hit/no-hitvergelijking niet tot resultaat heeft geleid. Ik lees echter ook op pagina 12 van de memorie van toelichting: "DNA-verwantschapsonderzoek zal veelal plaatsvinden nadat eerst klassiek DNA-onderzoek is verricht." Mij lijkt er veel voor te zeggen dat als wij deze mogelijkheid openen bij wet, wij op z'n minst een verplichte subsidiariteit erin opnemen, gezien ook de nadelen die de regering zelf terecht in de stukken opsomt. Of dat in de wet of in het besluit moet, kan ik niet helemaal overzien, dus dat hoor ik graag van de staatssecretaris.

    Mij lijkt dat als wij dit doen, daarbij linksom of rechtsom die verplichte subsidiariteit, als ik het zo mag noemen, moet worden opgenomen, maar nogmaals, ik en mijn fractie moeten er wel van overtuigd worden dat wij dit moeten doen.

    6 april 2011 omstreeks 10:32 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  5. Ard van der Steur (VVD)

    Voorzitter. Vandaag debatteren wij over een belangrijk wetsvoorstel. De heer Rouvoet zei dit ook al. Wij moeten een afweging maken tussen de inbreuk die met dit voorstel wordt gemaakt op de individuele rechten van verdachten of van derden, zoals in het wetsvoorstel staat, en het maatschappelijk belang van de strafrechtelijke waarheidsvinding. Die afweging moet naar het oordeel van de VVD-fractie heel zorgvuldig worden gemaakt. Daarbij moeten ook de aspecten van privacy nauwlettend in het oog worden gehouden. Aan de andere kant is er het belang van de strafrechtelijke waarheidsvinding. Kunnen wij als wetgevende macht het aan slachtoffers en nabestaanden van slachtoffers uitleggen dat wij een technisch hulpmiddel hebben dat wij niet inzetten om de dader van het misdrijf op te sporen?

    Het succesverhaal van het DNA-onderzoek zoals dat nu al gebeurt, het klassieke DNA-onderzoek, de heer Rouvoet sprak er ook over, en het onderzoek naar de persoonlijkheidskenmerken van een potentiële verdachte is evident. In de stukken staat dat 25.000 spoor-/persoonmatches uit de huidige DNA-databank worden gemaakt die leiden tot 10.000 personen die als verdachte van een misdrijf zijn aangemerkt. Hoe je het ook wendt of keert, dat is een succes en het spreekt voor zichzelf dat de inspanning voor de opsporing dankzij de DNA-databank lichter is geworden doordat er een extra middel is voor de opsporing van verdachten.

    Daarnaast is het ongelooflijk belangrijk dat die DNA-databank er ook voor zorgt dat je snel en efficiënt onschuldigen kunt uitsluiten; dat wordt nog wel eens vergeten. Als je denkt dat iemand misschien verdachte is, kan hij of zij door middel van het afgeven van zijn of haar DNA-profiel heel gemakkelijk en eenvoudig worden vrijgesproken of buiten het onderzoek worden geplaatst als dit niet overeenkomt met het op de plaats delict gevonden DNA-profiel. Het huidige DNA-onderzoek draagt dus aan de ene kant bij aan het opsporen van daders en aan de andere kant op een vrij eenvoudige manier aan het vrijpleiten van onschuldigen die dan ook niet verder in het opsporingsonderzoek worden betrokken.

    De heer Rouvoet heeft al uit de doeken gedaan welke vier punten hier aan de orde zijn. Dankzij de nota van wijziging komt er nog een bij, want de regering introduceert een nieuwe kijk op de manier waarop je met minderjarigen omgaat en dan in eerste instantie bij een aantal specifieke delicten als mensenhandel en mensenroof. In de laatste nota van wijziging is dit nog aangevuld met zeden- en geweldsmisdrijven, als ik dat goed heb gezien. Voor de VVD-fractie zijn al deze doelen van de wet positief. Mijn fractie heeft zich ook in de eerdere stukken al positief uitgelaten over het wetsvoorstel. Wij kijken met een positieve grondhouding naar het wetsvoorstel zoals het er nu ligt.

    Wij hebben ook goede nota genomen van de kritiek die is geuit, niet alleen in eerste instantie door de Raad van State, maar ook her en der door diverse belangengroepen. Die kritiek richtte zich met name op het verwantschapsonderzoek. De VVD-fractie heeft die kritiek zorgvuldig in ogenschouw genomen. Daarnaast kijken wij natuurlijk ook naar de aspecten van privacy, omdat DNA-onderzoek inbreuk maakt op de individuele rechten van mensen, zeker als het een verplichtend karakter heeft. Daarbij weegt voor mijn fractie mee dat het College bescherming persoonsgegevens in overwegende mate positief over het wetsvoorstel heeft geadviseerd en dat zijn wijzigingsvoorstellen in grote lijnen door de regering zijn opgevolgd.

    De VVD-fractie krijgt graag antwoord van de staatssecretaris op een aantal concrete vragen.

    In het oorspronkelijke in consultatie gebrachte wetsvoorstel werd als ondergrens voor het DNA-verwantschapsonderzoek gelegd die misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Zowel de VVD-fractie als de CDA-fractie heeft in de aanloop naar de eerste behandelingen in 2008 gevraagd waarom dat eigenlijk veranderd is. Het is veranderd op verzoek van de Raad van State. Ik vraag de staatssecretaris nogmaals of hij kan uitleggen waarom wij de grenzen leggen zoals ze zijn gelegd, dus bij zedenmisdrijven met een strafmaat tussen zes en acht jaar en met een iets andere regeling in het geval van minderjarigen. Is de staatssecretaris ervan overtuigd dat dit de beste methode is om het wetsvoorstel in te voeren? Acht hij het ook denkbaar dat wij toch terugkeren naar de eerste gedachte, dus dat het, zoals bij het klassieke DNA-onderzoek, kan worden toegepast bij alle misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten?

    Mijn tweede vraag is een vraag die erg van belang is bij het verwantschapsonderzoek: hoe gaan wij om met het klassieke verschoningsrecht dat wij in het strafrecht kennen? Dat houdt in dat familieleden niet verplicht kunnen worden om mee te werken aan de veroordeling van een ander familielid. Hoe kijkt de staatssecretaris daar tegenaan in het licht van het DNA-verwantschapsonderzoek? Waar zit naar zijn beleving eventueel een knelpunt? Wat is daarvoor de oplossing? Ik zeg erbij dat de VVD-fractie zich hierbij veel kan voorstellen, ook qua oplossingen, ook weer vanuit het belang van slachtoffers en nabestaanden van slachtoffers om te weten te komen wie het heeft gedaan, maar dat dit wel een basisbeginsel van ons strafrecht is dat zorgvuldige afweging vereist. Daarnaast is het natuurlijk de vraag wanneer en in welke omstandigheden

    precies wordt overwogen om tot verplichte afname over te gaan.

    De VVD-fractie heeft in de eerdere wetgevingsbehandeling al gevraagd naar de positie van de hulpofficier. Er wordt heel zorgvuldig omgegaan met de positie van de officier van justitie. De praktijk is natuurlijk dat opsporingshandelingen in veel gevallen onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie worden uitgevoerd door de hulpofficier. Acht de staatssecretaris het denkbaar dat ook de hulpofficier bevoegd zou zijn om bijvoorbeeld bij DNA-verwantschapsonderzoek tot onderzoek te besluiten? Als je naar de letter van de wet kijkt, is dat nu niet mogelijk. Is dat ook de beleving van de staatssecretaris? Is dat ook wenselijk, gegeven de belasting van de officieren van justitie?

    In de literatuur, met name in het Nederlands Juristenblad, is de afgelopen maanden met enige regelmaat over dit wetsvoorstel geschreven. In een artikel wordt uitgebreid door een aantal deskundigen geschreven over de risico's die samenhangen met dit onderzoek, met name bij het verwantschapsonderzoek. In een ander artikel wordt een opmerking gemaakt die ik aan de staatssecretaris wil voorleggen, namelijk dat het verwantschapsonderzoek een zodanig verruiming van de mogelijkheden betekent dat het wenselijk zou zijn dat er in de wet een kader wordt opgenomen waaruit blijkt wanneer dat verwantschapsonderzoek kan worden toegepast. Overigens wordt in het NJB geen suggestie gedaan wat dat kader dan precies zou moeten zijn, dus het zou dan aan de wetgever zijn om dat te doen. Vindt de staatssecretaris het wettelijke kader waarom wordt gevraagd, noodzakelijk? Of is hij van mening dat dit in het kader van de uitvoering, al dan niet door richtlijnen, al dan niet door een eventuele AMvB, in voldoende mate kan worden opgelost? Deze vraag is in zekere zin ook door collega Rouvoet opgeworpen.

    6 april 2011 omstreeks 10:39 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  6. André Rouvoet (ChristenUnie)

    Die laatste zin is wellicht een begin van een antwoord op mijn vraag, die ik nog moet gaan stellen. Doelt de heer Van der Steur hiermee ook op de kwestie van de subsidiariteit die ik aan de orde heb gesteld? Hij zegt dat je het eigenlijk als kader in de wet moet vastleggen. Is hij het met mij eens dat dit pas zou kunnen worden ingezet als het klassieke DNA-onderzoek niet tot resultaat heeft geleid, zoals de indruk af en toe wordt gewekt in de stukken? Wil hij de subsidiariteit in dat kader meenemen?

    6 april 2011 omstreeks 10:52 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  7. Ard van der Steur (VVD)

    De suggestie van collega Rouvoet ligt er al. Ik denk dat het aan de staatssecretaris is om daarop een reactie te geven. Voor mijn fractie geldt in ieder geval dat uit de memorie van toelichting duidelijk genoeg blijkt dat je eerst gaat kijken -- dat lijkt mij ook de logische lijn en ik neem aan dat de staatssecretaris dat zal bevestigen -- of er al een profiel is dat matcht. Als dat niet zo is, kom je toe aan deze vraag, want ik zie niet in waarom je dat niet op die manier zou doen. Ik kan mij eigenlijk nauwelijks voorstellen dat je niet eerst even kijkt of het profiel dat je hebt gemaakt, kan worden gematcht met iets wat in de bank zit. Dat staat volgens mij ook op de door de heer Rouvoet geciteerde pagina's 2, 6 en 12 van de memorie van toelichting.

    Zo heb ik het in ieder geval gelezen en als dat klopt, heb ik daar vrede mee en hoeft dat wat de VVD-fractie betreft niet noodzakelijkerwijze vervolgens in de wet te worden opgenomen. Ik noem bijvoorbeeld de zaak van het meisje van twaalf dat nu bevallen is, waarin de vraag zich voordoet of de vader toevallig ook de vader van zijn eigen kleinkind is. Ik kan mij in dat geval voorstellen dat je helemaal niet toekomt aan een DNA-profielonderzoek, maar meteen overgaat naar een verwantschapsonderzoek omdat je heel gericht weet waar je moet zoeken.

    6 april 2011 omstreeks 10:53 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  8. André Rouvoet (ChristenUnie)

    Dat zou een reden kunnen zijn om wel het klassieke DNA-onderzoek te doen, juist omdat je weet waar je moet zoeken. Ik wil het echter even los zien van deze casus, want misschien moeten wij daar niet al te diep op ingaan en dat even laten rusten. Het was overigens wel een treffende illustratie van het mogelijk belang van dit type onderzoek. Dat zie ik ook wel.

    De heer Van der Steur zegt dat het de voorkeur van de VVD-fractie heeft om de voorwaarden, het kader in de wet vast te leggen.

    6 april 2011 omstreeks 10:56 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  9. André Rouvoet (ChristenUnie)

    Zo heb ik u begrepen! Ik zal het antwoord op mijn vraag natuurlijk afwachten, maar als inderdaad bedoeld wordt dat het altijd pas aan de orde komt na het klassieke DNA-onderzoek, zijn wij allebei tevreden. Ik heb de vraag gesteld, omdat in de stukken staat dat dit veelal het geval zal zijn. Daar zit een onduidelijkheid in, maar als de voorwaarden, het kader in de wet worden vastgesteld, zou dit er in dat verband wel bij moeten.

    6 april 2011 omstreeks 10:57 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  10. Ard van der Steur (VVD)

    Ik begrijp de vraag van de heer Rouvoet heel goed en laat ik nog eens helder zeggen wat ik nu precies heb gezegd. In de literatuur wordt de vraag opgeworpen of niet een helder wettelijk kader moet worden vastgelegd, waarin deze vorm van DNA-onderzoek wordt afgesproken. Die vraag heb ik ook waardevrij aan de staatssecretaris overgebracht. De VVD-fractie doet daar geen uitspraken over. Ik heb daarbij in antwoord op de vraag van collega Rouvoet opgemerkt dat wat de VVD-fractie betreft helder genoeg uit de memorie van toelichting blijkt dat het eerst het een is en dan het ander, maar dat je nooit kunt uitsluiten -- als dat wel kan, hoor ik dat graag van de staatssecretaris -- dat om de een of andere reden op enig moment wordt besloten om het toch anders te doen, omdat dit in het belang van het opsporingsonderzoek en/of in het belang van de slachtoffers en de nabestaanden van de slachtoffers is of spoedheidshalve -- ik verzin maar iets -- wenselijk zou kunnen zijn. Als dat niet het geval is, hoor ik dat graag van de staatssecretaris.

    Ik heb nog twee vragen over. Hoe zit het nu met een onvolledig DNA-profiel? De VVD-fractie heeft begrepen dat in veel gevallen en met de moderne technieken tegenwoordig zelfs uit één cel een volledig DNA-profiel kan worden verkregen. Er zijn echter omstandigheden waarin door beschadiging zelfs van dat laatste celmateriaal een onvolledig DNA-profiel kan worden verkregen. Is het juist dat het nu niet mogelijk is om met een onvolledig profiel in de DNA-databank te zoeken? Is het ook juist dat het onvolledige profiel niet in de DNA-databank kan worden opgenomen voor toekomstig gebruik, omdat het onvolledig is? Hoe verhoudt zich dat met het onderzoek dat we doen, namelijk het DNA-verwantschapsonderzoek, waarmee je per definitie zoekt naar een match tussen een al dan niet volledig of onvolledig profiel en een onvolledig profiel, omdat het nooit helemaal zal overeenkomen? Zoals wij inmiddels hebben begrepen, is geen enkel DNA-profiel hetzelfde, ook niet als je uiterlijk gezien veel op elkaar lijkt en zelfs niet als je een tweeling bent. De VVD-fractie kan zich namelijk voorstellen dat het zoeken met een onvolledig profiel en het opnemen in een databank van een onvolledig profiel ook weer kan leiden tot het vinden en opsporen van daders en/of het vrijpleiten van anders misschien als verdachte aangemerkte personen.

    Ik kom op de laatste vraag. Het is de VVD-fractie bekend dat er inmiddels meerdere aanbieders zijn voor het DNA-onderzoek in Nederland. Ik heb ook begrepen -- maar dat terzijde -- dat ook gebruik wordt gemaakt van onderzoeksbureaus uit het buitenland als dat wenselijk, nuttig en noodzakelijk is. Dat gaat echter voorbij aan de vraag die ik stel. Het NFI opereert nu als een van die aanbieders. In het kader van een pilot wordt gewerkt met drie andere DNA-laboratoria. Het is echter wel het NFI dat nog steeds de DNA-databank beheert. Wij kunnen ons voorstellen dat het in het kader van die toekomstige mogelijke concurrentieslag tussen de DNA-laboratoria, ook al op het gebied van contra-expertise maar ook in opdracht van het Openbaar Ministerie ten behoeve van de opsporing zelf, wenselijk zou zijn die DNA-databank te abstraheren van het NFI. Daarmee moeten al die eventueel met elkaar concurrerende laboratoria aan dezelfde kwaliteitscriteria voldoen om de profielen op te nemen in de DNA-databank.

    Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus: is het in zijn ogen wenselijk dat de DNA-databank een zelfstandige positie krijgt binnen het ministerie van Veiligheid en Justitie, of onder de controle valt van het ministerie, en dat de aanbieders van DNA-onderzoek in zekere zin dezelfde positie hebben? Naar de beleving van de VVD-fractie is het begrijpelijk dat het NFI onderdeel is en blijft van het ministerie van Veiligheid en Justitie, hoewel je je ook kunt voorstellen, dat je, als er sprake is van een concurrentieslag tussen vier laboratoria, op termijn naar een verzelfstandiging, eventueel zelfs een privatisering, van het NFI zou kunnen toegroeien. Let op, dan moeten we dat niet doen zoals ze het in Engeland hebben gedaan, waar de FSS, de Forensic Science Services, kort na verzelfstandiging failliet zijn gedaan, naar de VVD-fractie heeft begrepen.

    6 april 2011 omstreeks 10:57 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  11. Voorzitter. Het gebruik van DNA-onderzoek bij opsporing, vervolging en berechting is een blijvende bron van controverse. Er is technisch steeds meer mogelijk, maar daarmee wordt ook steeds meteen weer de vraag opgeroepen of wat technisch mogelijk is ook altijd meteen moet leiden tot toepassing in de praktijk. Wij kunnen in ieder geval met elkaar vaststellen dat DNA-onderzoek zijn nut heeft bewezen in strafzaken. Er worden zaken opgelost die zonder DNA-onderzoek misschien onopgelost zouden zijn gebleven. DNA-onderzoek kan een belangrijk bewijsmiddel zijn. Ik zeg "kan", want dat is ook wat het is: een bewijsmiddel, en geen wondermiddel. Het houdt niet op bij het vaststellen van een DNA-profiel. Er zal altijd moeten worden gerechercheerd. Er worden geen misdrijven opgelost met een druk op de knop. Het kan helpen, maar het is niet genoeg. Wij moeten het nut van DNA-onderzoek zeker niet onderschatten, maar ook niet overschatten. Realisme is onmisbaar wanneer wij spreken over DNA-onderzoek in strafzaken.

    Kan de staatssecretaris wat meer informatie geven over de mate waarin opsporingsinstanties worden geconfronteerd met bewuste misleiding met valse DNA-sporen? Hoe vaak komt dit voor? Neemt het toe, of is er niets over bekend? Is er ooit onderzoek naar gedaan? Heeft de misdaad de valse DNA-sporen als dwaalspoor ontdekt? Zoals gezegd, technisch is er steeds meer mogelijk. Betekent dit ook dat er DNA-profielen kunnen worden nagemaakt? Als het nu nog niet kan, is dan de verwachting dat dit op termijn wel zou kunnen gebeuren? Wat zijn dan de gevolgen voor DNA als bewijsmiddel? Moet dat dan de prullenbak in? Ik vraag dat niet omdat ik vind dat DNA-onderzoek niet deugt, maar omdat ik graag het perspectief wil blijven zien en ook het oog gericht houd op de toekomst.

    Laat er geen misverstand over bestaan: misdrijven moeten natuurlijk worden opgelost, ook als het aan de SP ligt, zeker wanneer het ernstige misdrijven betreft. Wanneer DNA-onderzoek daaraan een nuttige bijdrage kan leveren, moeten wij dat serieus overwegen, maar altijd omkleed met de nodige waarborgen. Het moet proportioneel en effectief zijn. Het gaat tenslotte wel om grondrechten, waarmee uitermate zorgvuldig moet worden omgegaan.

    Na deze inleiding kom ik daarmee op het belangrijkste en meest controversiële onderdeel van het wetsvoorstel, te weten het verwantschapsonderzoek. Ik heb daarover de nodige vragen, die naar mijn mening onvoldoende zijn beantwoord in de nota naar aanleiding van het verslag. Het is mij niet duidelijk of de staatssecretaris die nu verantwoordelijk is, de afwegingen en de antwoorden van zijn voorganger nog onverkort deelt. Die verwachting is een beetje ingekleurd door het verschil tussen de opvatting van de voormalige minister en de opstelling van deze staatssecretaris met betrekking tot dit onderwerp in zijn tijd als Kamerlid. Ik hoop dat de staatssecretaris mijn twijfel op dat punt kan wegnemen, omdat ik vermoed dat hij iets minder terughoudend zou willen zijn dan de vorige minister in dit wetsvoorstel heeft verwoord. Graag krijg ik een reactie op dat punt.

    Ik heb een aantal concrete vragen over het verwantschapsonderzoek. Ziet de staatssecretaris het verwantschapsonderzoek als een ultimum remedium? Ik vraag dat met name omdat ik tegengestelde signalen opvang.

    Enerzijds wordt er gezegd dat verwantschapsonderzoek, en dan met name de actieve variant, pas zal worden ingezet als er geen andere recherchemogelijkheden meer openstaan. Daarmee wordt recht gedaan aan de bezwaren die kunnen bestaan tegen het maken van inbreuk op de lichamelijke integriteit van derden die bij een onderzoek worden betrokken. Aan de andere kant lees ik in de schriftelijke antwoorden dat het actieve verwantschapsonderzoek kan worden ingezet als het efficiënter is. Dan wordt het echter een heel andere discussie. Dan gaan we het in kosten vertalen. Naar mijn mening komen we dan al snel op een hellend vlak. Dan wordt het al snel, naar mijn mening te snel, een afweging dat principes moeten wijken voor geld. Op dat punt hoor ik graag een nadere toelichting van de staatssecretaris. Kan hij ook op dat punt mijn zorgen wegnemen?

    Dan heb ik een heel praktische vraag: wat gebeurt er met het materiaal dat vrijwillig is afgestaan door bloedverwanten in een verwantschapsonderzoek? Wordt dat vernietigd? Zo ja, wanneer? Hoe moet ik in dat verband de bewaartermijnen zien die verwacht worden in de aankomende wijzigingen van de wet? Daar kan een dilemma ontstaan. Hoe gaan we daarmee om? Hoe zeker is het nu dat het materiaal, als je vrijwillig meewerkt, daarna ook direct weer vernietigd wordt, omdat het niet in dat onderzoek gebruikt is? Die relatie wil ik graag opgehelderd hebben.

    Een ander punt dat ik aan de orde wil stellen, is de mate waarin de betrouwbaarheid van verwantschapsonderzoek afneemt, naarmate het profiel minder volledig is. Dat dit het geval is, wordt door deskundigen bevestigd. Daar is geen twijfel over. Waarom is in het wetsvoorstel gekozen voor een opeenstapeling van vage normen bij de inzet van het verwantschapsonderzoek? Ik moet een stukje min of meer citeren uit de nota naar aanleiding van het verslag. Daaruit komt een aantal criteria naar voren, als eerste: "actief DNA-onderzoek zal alleen worden uitgevoerd aan de hand van een volledig of vrijwel volledig DNA-profiel". Wat is dan "vrijwel volledig"? In publicaties is daar ook naar gevraagd. Waarom is hier niet gekozen voor een in de wet verankerde technische, procentuele ondergrens bijvoorbeeld of voor een aantal markers dat overeen moet komen? Daarbij zou je als ankerpunt kunnen nemen de betrouwbaarheid die zo laag wordt dat de kans op succes zo ver afneemt dat je zegt: daaronder zouden we het eigenlijk niet meer moeten doen. De kans wordt dan zo klein, dat de inzet eigenlijk niet meer verantwoord is. Dat sluit ook een beetje aan bij de vragen van de heren Rouvoet en Van der Steur over het kader waarbinnen we dit moeten gaan doen.

    Het tweede criterium: "het NFI zal na het verrichten van het actief verwantschapsonderzoek vrijwel altijd vervolgonderzoek doen". Dat is de volgende open norm. Waarom is ook hier gekozen voor een open norm? Het derde criterium is: "alleen die gedeeltelijke overeenkomsten tussen DNA-profielen worden geselecteerd ten behoeve van verder opsporingsonderzoek die een voldoende hoge mate van verwantschap vertonen". Dat is de derde variabele norm die hierbij gestapeld wordt. Ten vierde: "ten aanzien van de overgebleven na te trekken personen zal een rangordening worden aangebracht". Daar kunnen wij ons ook weer van alles bij voorstellen, maar dit is toch een stapeling van vage normen die wel heel erg breed zijn. De toepassing van actief DNA-onderzoek hangt dus van vage normen aan elkaar. Ik vind dat toch onvoldoende houvast bieden op dit moment om over te kunnen gaan tot een goede uitvoering. Het is bewerkelijk onderzoek, het is duur onderzoek en dan moeten we daar toch terughoudend mee omgaan. Waarom is er gekozen voor deze stapeling van vage invullingen? Wat vindt de staatssecretaris van de suggestie om in ieder geval een meetbare ondergrens te stellen aan de volledigheid van het profiel, om meer houvast te geven in de beslissing wanneer we het wel en wanneer we het niet moeten doen?

    De staatssecretaris heeft ervoor gekozen, voor het actieve verwantschapsonderzoek de norm te hanteren van acht jaar of meer gevangenisstraf en een aantal met name genoemde gewelds- en zedenmisdrijven waarop zes jaar of meer staat. Het is mooi dat we die norm kiezen. Ik ben het daar ook mee eens, maar met het oog op de toekomst heb ik toch een vraag. Van welke delicten is de staatssecretaris van plan om in de komende tijd de strafmaat te verhogen tot acht jaar of meer? Zijn er plannen om de strafmaat van delicten te verhogen, zodat die hier ook onder gaan vallen in de toekomst? Dat vind ik toch een afweging om te maken. Op dit moment leggen we de grens bij acht jaar of meer, op grond van wat er nu onder valt, maar als de staatssecretaris grote plannen heeft om veel meer delicten naar acht jaar te brengen, dan praten we ineens over een heel ander voorstel. Het lijkt me toch van belang dat we nu het toepassingsbereik helder krijgen.

    Ik kom op mijn laatste punten. De reden voor de vierde nota van wijziging, die wij gisteren ontvingen, is helaas maar al te duidelijk. Soms is de realiteit helaas zo bizar dat wij ons die als wetgever vooraf niet hebben kunnen voorstellen. Helaas is dat ook hier het geval geweest. Het is dan ook goed dat de wetgever hierop zo snel heeft gereageerd en dat de staatssecretaris het initiatief heeft genomen tot deze nota van wijziging.

    De SP-fractie is voorstander van het gebruik van alle technische mogelijkheden die DNA biedt om de identiteit van onbekende slachtoffers te achterhalen. Dat geldt evenzeer voor vermiste personen. Daarmee kan, naar wij hopen, veel menselijk leed worden voorkomen bij de nabestaanden, die anders in voortdurende onzekerheid leven.

    Ik heb nog wel een punt van kritiek en een vraag. Over het gebruik van verdergaand DNA-onderzoek voor de opsporing zal moeten worden beslist in overleg met de rechtspraktijk, las ik in de nota naar aanleiding van het verslag. Dit moet ook in samenspraak met de Kamer gebeuren, zo komt mij voor. Dit staat zo in de nota naar aanleiding van het verslag. Onderschrijft de staatssecretaris dit of is hij van mening dat uiterlijk waarneembare kenmerken niet even moeten worden geregeld met de rechtspraktijk, maar dat ook de Kamer weer aan zet moet komen?

    De SP-fractie steunt het voorstel om bij high-volume-crimemisdrijven de bevoegdheid tot het verrichten van DNA-onderzoek bij onbekende verdachten aan de hulpofficier van justitie toe te kennen. Maar wij steunen ook de regel om het wat de hulpofficier betreft daarbij te laten en deze ingrijpende maatregelen verder als maatwerk over te laten aan de officier of de rechter-commissaris.

    Afsluitend: de SP-fractie staat in principe sympathiek tegenover het wetsvoorstel, maar heeft wel behoefte aan meer duidelijkheid. Vooral de vage normen laten nog ruimte voor twijfel. Die ruimte moeten wij naar mijn mening niet laten bestaan, want het gaat wel om inbreuk op grondrechten. Dus zorgvuldigheid past. Zorgvuldig vastleggen past ook. Ik wacht daarom de antwoorden van de staatssecretaris af. Ik hoop dat hij mijn twijfel over de door mij aangedragen punten kan wegnemen.

    6 april 2011 omstreeks 11:05 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  12. Voorzitter. Als progressieve partij beziet D66 nieuwe technische en technologische mogelijkheden met open vizier. De voortschrijdende wetenschap op het gebied van DNA was voor de toenmalige woordvoerder Justitie van de D66-fractie dan ook een van de redenen om het initiatief te nemen tot het opheffen van de verjaringstermijn bij bepaalde categorieën zware misdrijven, waardoor ernstige delicten alsnog worden opgelost en daders hun straf niet ontlopen. De stand van de techniek is sindsdien behoorlijk gevorderd en ontwikkelt zich steeds verder. Het is dus goed dat wij ook het wettelijk kader moderniseren om een gedegen basis te bieden voor toepassing van die techniek en dat wij vastleggen wie daarvan, op welke wijze en binnen welke regels, gebruik kan maken. Die vereiste wettelijke grondslag dient, wat mijn fractie betreft, ook om te zorgen voor adequate waarborgen.

    U kent D66 als een partij die, behalve een open oog voor vooruitgang, ook veel aandacht heeft voor de bescherming van de individuele vrijheden en rechten. Mijn houding ten opzichte van de uitbreiding van de toepassing van DNA-techniek laat zich als volgt samenvatten. Het is goed om door te pakken, maar wij moeten ervoor waken om door te slaan. Doorpakken, maar niet doorslaan dus. Dat is ook mijn uitgangspunt bij de beoordeling van het wetsvoorstel dat wij deze ochtend bespreken. Daarom steunt mijn fractie de doelstelling van dit wetsvoorstel om een regeling te treffen voor DNA-verwantschapsonderzoek. Maar, ik zeg met nadruk "maar", bij de concrete uitwerking heb ik nog de nodige vraagtekens. Het gaat hier immers om een wetsvoorstel dat de kring van betrokkenen bij DNA-onderzoek sterk vergroot, waardoor ook derden in die cirkel worden getrokken. Dat is een extra reden om zorgvuldig te zijn bij het beschermen van hun rechten en hun persoonlijke levenssfeer.

    Voordat ik aan die vragen toekom, geef ik eerst een tweetal algemene waarschuwingen over DNA-onderzoek. Ten eerste is de argumentatie voor de toegevoegde waarde in het strafrecht grotendeels gebaseerd op successen uit het verleden. De vraag is hoe representatief die vergelijking is voor de toekomstige toepassing.

    Immers, steeds meer mensen weten dat DNA een belangrijker rol speelt in de bewijsvoering bij strafzaken. Dat maakt misbruik, zoals het expres achterlaten van andermans sporen, aantrekkelijker. De beantwoording van Kamervragen over het pleidooi van de Rotterdamse korpschef voor een DNA-databank van alle Nederlanders wijst ook in die richting. Het is daarom goed te benadrukken dat DNA alleen als ondersteunend bewijs kan bieden. Ziet de staatssecretaris dat gevaar ook?

    Ten tweede geldt dat DNA-onderzoek wel wetenschappelijk van aard is, maar de suggestie die daarvan uit zou kunnen gaan dat de uitslag altijd 100% duidelijk is volgt niet. Er is sprake van interpretatie door de onderzoekers. Die beoordelingsmarge is, zoals de Raad van State ook opmerkt, groter bij verwantschapsonderzoek dan standaard DNA-onderzoek. Daarbij groeit de kans op fouten bovendien met de omvang van de database en de volledigheid van het gevonden DNA-profiel.

    Dan kom ik op de vraag wie het verwantschapsonderzoek mag vorderen. Ik ben er nog niet van overtuigd dat niet in meer gevallen dan nu voorzien is een machtiging van de rechter-commissaris nodig is. Daarom krijg ik daarover graag een nadere argumentatie van de staatssecretaris.

    Ook heb ik mijn twijfels bij de waarborgen die deze wet levert voor de groep misdrijven waar deze wet voor geldt. Collega Jansen had het daar ook al even over, namelijk die waar acht jaar of meer gevangenisstraf voor geldt, behoudens enkele gewelds- en zedenmisdrijven waar tenminste zes jaar op staat. Als ik bezie welke misdrijven daar nu onder vallen, lijkt die grens mij over het algemeen goed gekozen. Maar met de neiging tot het opbreken van de strafmaat komen ook relatief lichtere vergrijpen binnen dat bereik. Ziet de staatssecretaris die trend en wat is zijn oordeel daarover? Kan de staatssecretaris mij met een andere omschrijving meer geruststellen?

    Dan het toestemmingsvereiste bij niet-verdachten. Net als het College bescherming persoonsgegevens vraag ik aandacht voor het feit dat deze toestemming wel volledig uit vrije wil dient te worden gegeven. Op welke wijze waarborgt de staatssecretaris die vrijheid? Dat zal met name in de uitvoeringspraktijk zijn beslag moeten krijgen.

    Een andere belangrijke waarborg is dat een DNA-profiel dat in het kader van een verwantschapsonderzoek is verkregen ook alleen voor dat doel wordt gebruikt en dan vernietigd wordt. Uit eerder onderzoek bleek dat de naleving van die vernietigingsplicht tekortschoot. Ik verwijs hierbij naar het Rathenau-onderzoek uit 2008 dat een onderdeel was van het onderzoek door het WODC. Kan de staatssecretaris aangeven wat de huidige stand van zaken van die naleving is? In de memorie van toelichting lees ik dat het celmateriaal van een niet-verdachte en diens familieleden evenals het DNA-profiel na het DNA-onderzoek wordt vernietigd. Graag een toelichting van de staatssecretaris wanneer dit moment precies is. Hoe verhoudt het bepalen van dit moment zich tot invoering van een wet herziening en nadelen bijvoorbeeld? Is de staatssecretaris bereid om aanpassingen in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken nu al in concept aan de Kamer aan te bieden?

    Bovendien vraag ik de staatssecretaris of hij bereid is een keuze om DNA-profielen van vermiste personen en of hun familieleden automatisch op te slaan in de DNA-databank voor strafzaken nog eens duidelijk te beargumenteren. Ik verwijs ook naar het advies van het College bescherming persoonsgegevens en het College van PG's op dit punt. Waarom doorstaat die keuze de proportionaliteitstoets en volstaat bijvoorbeeld een hit/no hit-test niet?

    Tenslotte een opmerking over het belang van het onderzoek. Zoals het College van PG's schrijft in het advies dat ik net al aanhaalde, heeft de praktijk grote behoefte aan ondubbelzinnig nader houvast door de wetgever. Ik heb het dan over de invulling van het criterium " belang van het onderzoek". Andere collega's hebben daar ook al over gesproken. Aanpassing van slechts de instructie DNA-onderzoek lijkt daarom te mager.

    Vanuit een andere invalshoek komt de Raad van State ook met een kritische beschouwing op dit punt. Beoogt de minister inderdaad een verruiming van het criterium om DNA-onderzoek te kunnen gelasten en wat is daar de noodzaak voor? Het moet tenslotte gaan om een ultimum remedium.

    De nogal nonchalant ogende opmerking: "Wat in de context van een bepaald tijdsgewricht als de juiste en enige interpretatie van het criterium 'in het belang van het onderzoek' wordt gezien, kan door nieuwe inzichten wijzigen.", geeft mij niet veel vertrouwen.

    Ik sluit af met twee losse vragen. Ten eerste, wij bespreken dit wetsvoorstel voordat het kabinet zijn visie op privacy en veiligheid, zoals afgelopen najaar door de staatssecretaris aangekondigd, heeft gepresenteerd. Wanneer kunnen wij die kabinetsvisie verwachten? Ten tweede mis ik in de memorie van toelichting inzicht in de financiële consequenties van dit wetsvoorstel. Kan de staatssecretaris daar alsnog iets over zeggen?

    6 april 2011 omstreeks 11:25 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  13. Madeleine van Toorenburg (CDA)

    Voorzitter. Wij spreken vandaag over een heel belangrijke wet. De heer Rouvoet heeft die al deskundig samengevat, dus dat hoef ik niet te herhalen. Het is interessant om de andere sprekers ook heel fundamentele vragen te horen stellen. Vragen die hier echt gesteld moeten worden en die ik ook niet allemaal hoef te herhalen. Los van politieke kleur zie je dat het wetsvoorstel een fundamentele bespreking behoeft en daartoe zijn verschillende invalshoeken gekozen. Het is dus een heel waardevolle bespreking en daarom is dit soort debatten ook zo mooi.

    De CDA-fractie is positief over het voorliggende wetsvoorstel omdat het kan bijdragen aan een betere opsporing, vervolging en uiteindelijk berechting van strafbare feiten. Ook kan het bijdragen aan het ophelderen van vermissingen en de identiteit van onbekende slachtoffers. De CDA-fractie vindt dat op de meeste punten ook een goed evenwicht is gevonden. Aan de ene kant het algemeen belang van een veiliger samenleving en aan de andere kant de bescherming en persoonlijke integriteit. Daarbij zijn ook de belangen van slachtoffers en toekomstige slachtoffers meegewogen.

    We zien ook dat de technologische ontwikkelingen heel snel gaan. Terecht wordt opgemerkt dat we niet alles wat technisch kan, moeten willen. Tegelijkertijd zien we dat als er veel ontwikkelingen zijn, een wet niet moet achterlopen op iets wat wel wenselijk wordt gevonden. We hebben daar in de schriftelijke ronde ook aandacht aan besteed. Kan de staatssecretaris op basis van de huidige technologische ontwikkelingen zeggen dat het wetsvoorstel passend is? We zijn namelijk al weer een poosje verder dan het moment waarop het wetsvoorstel werd ingediend.

    Het is verder duidelijk van belang om bij onderzoek naar een verdachte te kunnen terugvallen op DNA-onderzoek. In de tijd dat we heel erg moesten leunen op getuigen, bleek een en ander nogal eens onbetrouwbaar. Getuigen zijn nu eenmaal onbetrouwbaar. Wanneer ik nu iets midden in de zaal gooi en daarna de mensen op de publieke tribune individueel zou vragen wat ze hebben gezien, dan heeft iedereen een ander verhaal. Zo werkt dat bij getuigen en daarom is het zo belangrijk dat je duidelijker, fysieker materiaal hebt en dus is het van belang dat wij DNA-onderzoek kunnen doen. DNA is echter niet zaligmakend. Je moet daarnaast ook andere dingen hebben, omdat je het risico loopt dat mensen sporen van elkaar nalaten in onderzoeken. Dat gebeurt en we hebben daar ook voorbeelden van gezien. Je moet dus heel erg oppassen bij onvolledige sporen, waarvan je niet heel duidelijk weet bij welke persoon ze horen. Bij CSI op de televisie zijn de meest spannende dingen te zien, maar af en toe zie je situaties die wij niet moeten willen. Het is dus belangrijk dat we DNA kritisch blijven bezien.

    Kijkend naar de wet is vooral over het verwantschapsonderzoek wel iets te vragen. Wij hebben de literatuur erop nageslagen. In de juridische bladen staat ook een en ander. Ons spreekt de gedachte van subsidiariteit heel erg aan. De vraag is wel wanneer je aan subsidiariteit toekomt. Dit is een heel belangrijk punt. Ik krijg daar graag een reactie van de staatssecretaris op. De vraag is ook hoe je iets bewaart en wanneer je iets vernietigt. Daarover is onduidelijkheid ontstaan. Wij gaan ervan uit dat, wanneer je actief op zoek gaat naar verwantschapssporen met behulp van DNA, die worden vernietigd wanneer ze niet blijken te matchen. Wanneer in een databank zaken zitten die tot een hit leiden, dan moet je die natuurlijk niet vernietigen, maar hoe verhoudt het een zich tot het ander? Ik zie graag dat de staatssecretaris daarop ingaat.

    Er is ook gesproken over misdrijven, waarvoor verwantschapsonderzoek geldt. Na advies van de Raad van State is een en ander opgehoogd van delicten waarvoor voorlopige hechtenis op staat naar delicten met een strafbedreiging van acht jaar of meer. Wij hebben daar in de schriftelijke ronde ook aandacht aan besteed, maar wij zijn er nog niet van overtuigd of wij nu bereikt hebben wat wij willen. Zijn er geen goede argumenten om bij het oorspronkelijke voorstel te blijven?

    Stel dat een verdachte zich zou hebben moeten onderwerpen aan een DNA-onderzoek, omdat hij verdachte was, maar dat hij inmiddels is overleden en gecremeerd. Dan doet de vraag zich voor of de nabestaanden moeten meewerken aan zo'n verwantschapsonderzoek. Wij hebben daar in de CDA-fractie intensief over gesproken, maar mijn fractie heeft daar grote aarzelingen bij. Volgens mij moet je dit niet verplichten. Ik heb vervolgens nog wat rapporten gelezen, ook enkele buitenlandse rapporten. Wie schetst mijn verbazing toen ik erachter kwam dat men dit in het buitenland oplost door overleden familieleden op te graven, omdat die niet kunnen weigeren? Met het oog daarop stel ik dit vandaag aan de orde. Kan het ook in Nederland gebeuren dat, wanneer men een verwantschapsonderzoek wil uitvoeren, terwijl familieleden niet mee willen doen, men gaat kijken of er nog iemand is die geen nee kan zeggen? Daar word ik een beetje griezelig van. Als dat kan, dan heb ik liever dat mensen wel worden verplicht om mee te werken, tenminste wanneer ze zichzelf niet kunnen criminaliseren. Ik krijg daar graag een reactie op van de staatssecretaris.

    6 april 2011 omstreeks 11:38 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  14. Jeroen Recourt (PvdA)

    Mevrouw Van Toorenburg poneert haar stelling in de vorm van een vraag. Het is dus moeilijk om te interrumperen, maar ik doe het toch. Zij stelt voor, in de vorm van een vraag, om mensen die op geen enkele manier verdachte zijn toch verplicht DNA te laten afnemen. Klopt dat?

    6 april 2011 omstreeks 11:48 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  15. Madeleine van Toorenburg (CDA)

    Ik antwoord daar meteen ja op, maar het geldt niet voor dit punt. Ik kom daar nog op. Ik vind dat je verdachten onder omstandigheden niet kunt verplichten om mee te werken, maar dat geldt niet voor verwantschapsonderzoek. Als iemand echter is overleden en gecremeerd terwijl hij verdachte was, dan kun je geen DNA-onderzoek meer doen. Als je dan bij de familie te rade wil gaan, dan vind ik het niet goed dat je familieleden tot dat onderzoek kan verplichten. Ik word er akelig van dat in het buitenland overleden familieleden worden opgegraven, omdat die geen nee kunnen zeggen. Dat moeten wij niet willen. Wat ons betreft geldt daar geen verplichting voor.

    6 april 2011 omstreeks 11:48 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  16. Jeroen Recourt (PvdA)

    Ik concludeer dat de vraag van mevrouw Van Toorenburg niet is gericht op een uitbreiding van de verplichting, maar op een inperking. Dan ben ik gerustgesteld.

    6 april 2011 omstreeks 11:49 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  17. André Rouvoet (ChristenUnie)

    Mevrouw Van Toorenburg zei in een bijzin dat zij, kijkend naar de situatie in het buitenland, liever heeft dat de niet verdachte familieleden dan tot zo'n onderzoek worden verplicht. Het stelt mij gerust als zij bedoelt dat, ook al zou dit kunnen, terwijl wij het niet willen, die stap niet moet worden gezet.

    6 april 2011 omstreeks 11:50 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  18. Madeleine van Toorenburg (CDA)

    Ik bedoel dat inderdaad.

    Wij hebben ook in de schriftelijke ronde kritiek gehad op de positie van de rechter-commissaris en de vraag gesteld of het altijd de rechter-commissaris zou moeten zijn. Hierop is gereageerd. Wij begrijpen het goed en wij zijn ervan overtuigd dat het onder heel veel omstandigheden de rechter-commissaris moet zijn die uiteindelijk toestemming geeft voor DNA-onderzoek. Toch wil ik de staatssecretaris vragen om nog eens te kijken naar het debat van vorige week maandag over de positie van de rechter-commissaris. Past het een nog wel bij het ander, namelijk dat een rechter-commissaris duidelijk meer een rechtersrol heeft en oordeelt over de verschillende zaken die hem voorgelegd worden dan dat hij zelf leider wordt in het onderzoek? Deze vermenging hadden wij ook met de officier van justitie. Past het een, gelet op de ontwikkelingen met betrekking tot de positie van de rechter-commissaris sinds de totstandkoming van het voorstel, nog wel goed bij het ander?

    Gemakshalve sluiten wij ons aan bij de opmerkingen van de heer Rouvoet, die zich terecht het volgende afvroeg. Stel dat je onderzoek doet naar mensen die vermist zijn. Moet je dan van de hele kring personen rondom de vermiste DNA-sporen opnemen in een databank van strafzaken? Wij hebben dezelfde aarzelingen. Ik denk dat wij hiermee heel voorzichtig moeten zijn. Ook wij vinden dat de staatssecretaris dit opnieuw moet motiveren.

    De wet is ingewikkeld. Ik las dat de heer Dibi er af en toe hoofdpijn van kreeg. Er is een punt waar ik hoofdpijn van krijg. Ik ben er ook mee opgehouden om mij erin te verdiepen, want ik begrijp het gewoon niet. Ik begrijp niet hoe het zit met de uiterlijk waarneembare persoonskenmerken bij onbekende slachtoffers. In het belang van de identificatie wordt er toch altijd DNA afgenomen van een onbekend gevonden slachtoffer? Waarom kijken wij dan alleen naar de uiterlijk waarneembare persoonskenmerken? Ik begrijp dat gewoon niet; graag een toelichting van de staatssecretaris op dit punt.

    Gemakshalve sluit ik mij ook aan bij de woorden van de heer Janssen ten aanzien van de laatste nota van wijziging. Ik ben altijd weer blij dat de ambtenaren van het ministerie -- ik zie ze hier zitten -- niet zulke zieke geesten zijn dat ze van tevoren hebben bedacht dat de laatste nota van wijziging sowieso opgenomen had moeten worden. Dat is prima, maar als wij helaas worden geconfronteerd met de meest afschuwelijke delicten die wij ook moeten kunnen aanpakken, dan is het goed dat hierop adequaat wordt gereageerd.

    Voor de overige punten kan ik mij aansluiten bij mijn voorgangers. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verwantschapsonderzoek.

    Dan kom ik op een punt waar de CDA-fractie vandaag indringend bij stil wil staan. Wij hebben vaker gepleit voor verplichte deelname aan grootschalig DNA-onderzoek om weigeraars bij een grootschalig DNA-onderzoek uiteindelijk toch te kunnen verplichten mee te werken. Wij kenden de heer Teeven als een crime fighter. Ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe de staatssecretaris in zijn huidige rol hiernaar kijkt. Wij hebben hierover vaker gesproken. Natuurlijk hebben wij gezegd dat je dit niet te gemakkelijk moet doen. Wij zijn ook niet blij met voorstellen uit Rotterdam om iedereen in Nederland maar een DNA-spoor te laten afgeven dat uiteindelijk in een databank wordt opgenomen. Echter, wij hebben de afgelopen week maar weer gezien dat in een onderzoek naar een gruwelijke moord op een 88-jarige mevrouw, achttien mensen weigerden om mee te werken aan een DNA-onderzoek, zonder gevolgen. Naar deze achttien mensen wordt wel nader onderzoek gedaan, maar wij kunnen ze vooralsnog niet verplichten om mee te werken. In het buitenland zien wij inmiddels wel bewegingen ontstaan waarbij de kring vergroot wordt van verdachten en van mensen van wie je een DNA-spoor wil hebben. Wat de CDA-fractie betreft is het moment daar om door te pakken, zij het onder een aantal strikte voorwaarden.

    6 april 2011 omstreeks 11:50 via DNA-onderzoek - Link - Delen

  19. Jeroen Recourt (PvdA)

    Deze wet maakt het mogelijk dat de familie van degenen die gevraagd wordt om vrijwillig DNA-materiaal af te staan en dit vervolgens weigeren, gevraagd wordt om DNA-materiaal af te staan. De mogelijkheden worden dus al verruimd. Mevrouw Van Toorenburg stelt voor om iemand die niet verdacht is en min of meer toevallig in de buurt woont, in het bejaardenhuis of waar dan ook, en waarbij de kans groot is dat hij niets te maken met welk delict dan ook, verplicht DNA-materiaal af te laten nemen. Mevrouw Van Toorenburg, vindt u dat niet een te verstrekkende inbreuk op het grondrecht van lichamelijke integriteit?

    6 april 2011 omstreeks 11:58 via DNA-onderzoek - Link - Delen

Over dit debat

Bericht van de makers

“Onze medewerkers moeten eerst op training voordat ze ons intranet begrijpen. Dat moet toch beter kunnen!”

Wolq helpt om software en het web gebruiks-vriendelijker te maken. Zo bespaart u veel geld op trainingen. Ook bedenken wij innovatieve oplossingen, zoals Publitiek, voor complexe vraagstukken.

Benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen?

Bericht van de makers

“Zou er een manier zijn om onze webwinkel nog vernieuwender te maken?”

Wolq helpt om software en het web gebruiks-vriendelijker te maken. Bijvoorbeeld om uw klanten een nog betere winkelervaring te bieden. Ook bedenken wij innovatieve oplossingen, zoals Publitiek, voor complexe vraagstukken.

Benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen?